II. Beschlussrede - Nicolaus Herman

In dit afsluitende gedicht  die Historien von der Sindflut etc.. postuum gepubliceerddankt Herman zijn 'patron', beschermheer, maecenas: Florian Griespeck von Griesbach, een raadsheer van drie habsburgse keizers. Blijkbaar had deze zich over Joachimstal's cantor ontfermd, na diens verplichte pensionering (wegens jicht). Onder de tekst een langer stuk over deze toch wel bijzondere man, in dienst van de Habsburgers, nauw bevriend met Melanchton, die het zoveelste bewijs is dat er in de tijd van de godsdienstconflicten ook altijd bemiddelaars zijn geweest. En ook, dat een simplistische geschiedschrijving (zw/w) altijd fout is.

Origineel (Vroegnieuwhoogduits) Vertaling (Nederlands)  
II. Beschlussrede.
Dieses Büchlein hie sein End soll han,
Zum Bschluss will ich den thewren Man
rühmen, der mir viel guts gethan.
II. Slotrede.
Dit boekje moet hier nu eindigen,
tot besluit wil ik de dierbare man
roemen, die mij veel goeds heeft gedaan.
 
Der best Poet Virgilius
preist hoch sein Kaiser Augustus,
drumb dass er gross gnad und wolthat
empfieng von seiner Maiestat:
sollt ich denn nicht auch mein Patron
preisen, den Herren Florian,
der mir mit gnaden ist geneigt
und so viel gutthat hat erzeigt?
Denn dass ich jzt kann tichten ein Gsang,
solchs hab ich alls dem Herren zu dank,
und so jemand hat pfallen dran,
der dank nicht mir, sondern dem Man.
Jzt wärm ich mich bey seinem fewr,
singen und tichten war mir sonst thewr,
ja dass ich jzt die Stund noch leb,
nach Gott die ehr ich jm geb.
Durch sein Hülff ich erhalten bin,
mein Haus und Hof wär sonst dahin,
auch wär mein Bettel längst verzehrt,
sein foderung mein Kinder nährt.
Denn da mein hoffnung gar schlug umb,
und mir ein Wetter ungestümb
mein zuversicht, drauff ich mich liess,
macht gar zu nicht und ungewiss,
und do jederman von mir geht,
meins leids er mich allein ergetht,
und sprach: Ich will dem alten Man,
der bey der Jugend fleiss gethan,
sein trewer dienst geniessen lan,
dass er mög unterhaltung han.
De beste dichter, Virgilius,
prees hoog zijn keizer Augustus,
omdat hij grote genade en weldaden
ontving van zijn majesteit:
zou ik dan niet ook mijn beschermheer
prijzen, de heer Florian,
die mij genadig is genegen
en mij zoveel weldaden heeft getoond?
Want dat ik nu een gezang kan dichten,
heb ik geheel aan deze heer te danken,
en als iemand eraan welgevallen heeft,
dank dan niet mij, maar deze man.
Nu warm ik mij bij zijn vuur,
zingen en dichten was mij anders zwaar,
ja, dat ik nu op dit uur nog leef,
die eer geef ik hem, na God.
Door zijn hulp ben ik behouden,
mijn huis en erf waren anders vergaan,
ook mijn schamele bezit was lang verteerd,
zijn steun voedt mijn kinderen.
Want toen mijn hoop geheel omsloeg,
en een onstuimige storm
mijn vertrouwen, waarop ik steunde,
geheel teniet deed en onzeker maakte,
en toen iedereen bij mij wegging,
troostte alleen hij mij in mijn lijden
en sprak: "Ik wil de oude man,
die zich voor de jeugd heeft ingezet,
van zijn trouwe dienst laten genieten,
zodat hij in zijn onderhoud is voorzien."







Florian Griespeck von Griespach, degene aan wie ook Herman's eerste bundel uit 1560 al was opgedragen(zie Vorrede). Over deze keizerlijke raadsheer, zie de noot onderaan de pagina.
Griespeck heeft zowel voor hem als Mathesius een 'pensioen' voorzien. Best opvallend, want Herman en zeker Mathesius waren gekende Lutheranen (ketters).
Drauff er für mich gebeten hat
die Kaiserliche Maiestat
und trewlich geredet mein wort:
Herr Christe, zahl’s jm hie und dort.
Seiner Fürbitt ich genossen hab,
sonst gieng ik jzt am Bettelstab.
Durch jn hab ich im Alter ruh
und bring mein zeit mit tichten zu,
damit ich offt mein schmerzen lind,
wenn’s Podagra nicht gar zu schwind
mich reisst und mir ein Poss auffsetzt,
mit tichten wird mein hertz ergötzt.
Daarop heeft hij voor mij gepleit
bij de keizerlijke majesteit
en trouw voor mij het woord gevoerd:
Heer Christus, beloon het hem hier en daar.
Van zijn voorspraak heb ik genoten,
anders liep ik nu met de bedelstaf.
Door hem heb ik rust op mijn oude dag
en breng ik mijn tijd door met dichten,
waarmee ik vaak mijn pijn verzacht,
wanneer de jicht (podagra) niet al te heftig
aan mij trekt en mij parten speelt;
door het dichten wordt mijn hart verheugd.

De Hbsburgse keizer, i.c. Ferdinand, hoewel met een rooms-katholieke agenda, was de 'leenheer', ook in Sachsen, Bohemen.
Wer wissen will, wann kompt die gunst:
er liebt für alle ding die kunst
und ist gelerten Leuten geneigt,
jn alle gunst und lieb erzeigt.
Er foddert sie, wo er nur kann
und nimmt sich jrr uffs trewlichst an.
Die Musici und Cantorey
dürften sich seiner trösten frey,
er ist jr Vater und Patron:
zahl’s jm, Herr Christe, Gottes Son.
Wie wil weten waar die gunst vandaan komt:
hij bemint bovenal de kunst
en is geleerde mensen genegen,
aan wie hij alle gunst en liefde toont.
Hij steunt hen waar hij maar kan
en trekt zich hun lot getrouw aan.
De musici en de Cantorij
mogen zich vrijelijk door hem getroost weten,

hij is hun vader en beschermheer:
beloon het hem, Heer Christus, Zoon van God.
 
Jr wenig findt man seines gleich
an tugent, kunst, ehren so reich,
Sein witz, weisheit, hoher verstand
rühmt man im Reich und Behmer landt.
Die Kaiserliche Maiestat
an jm hat gar ein trewen Rath.
Geneigt ist er zu fried und ruh,
all sein Rathschläge da lenden zu,
uff das Behem, die edle Kron,
mög fried und alle wolfart han.
Der Fürstlichen Durchleuchtigkeit
sein dienst und raht ist steh bereit,
Drumb der Erzherzog Ferdinand
der Glück wündscht viel in seinem fund.
Die Armen foddert er mit fleiss,
des gibt jm alle Welt den preis,
(est procurator pauperum,
habebit ergo premium,
aeternum tabernaculum,
in coelo domicilium.)
Men vindt er weinigen als hij,
zo rijk aan deugd, kunst en eer.
Zijn scherpzinnigheid, wijsheid, hoog verstand
roemt men in het Rijk en in Bohemen.
De keizerlijke majesteit
heeft aan hem een zeer trouwe raadsheer.
Hij is genegen tot vrede en rust,
al zijn adviezen sturen daarop aan,
opdat Bohemen, die edele kroon,
vrede en alle welvaart mag hebben.
Voor de Vorstelijke Doorluchtigheid
staan zijn dienst en raad steeds paraat,
daarom wenst aartshertog Ferdinand
hem veel geluk in zijn hoedanigheid.
De armen steunt hij met ijver,
daarvoor prijst de hele wereld hem,
(hij is de pleitbezorger van de armen,
daarom zal hij een beloning ontvangen,
een eeuwige tabernakel,
een woonplaats in de hemel.
)
 
Und sonderlich der Jochimsthal
sein gneigten willn steh rühmen soll,
Denn er jn foddert alle zeit
und steht trewlich uff seiner seit.
Oft hat er Wiegel untergschoben,
wenn’s alls kracht hat unten und oben,
auch hat er offt gar manchen schimpff
helffen abwenden mit eim glimpff,
das wort geredt Stadt, Kirch und Schul,
der Gmein und löblichen Rathstuhl.
En in het bijzonder Joachimsthal
moet steeds zijn gunstige wil roemen,
want hij steunt hen te allen tijde
en staat trouw aan hun zijde.
Vaak heeft hij ondersteuning (stutten) geboden,
wanneer het overal kraakte en wankelde,
ook heeft hij vaak menige smaad
met zachtmoedigheid helpen afwenden,
het woord gevoerd voor stad, kerk en school,
voor de gemeente en de loofbare raad.





mijnbouwbeeldspraak
Er hat ausschlagen manchen streich,
der uns zum nachteil hätt gereicht,
sollt er recht haben troffen an,
Daruon weiss nichts der gmeine Man,
er denckt, es gscheh alls ungeschehr,
dass wir allzeit ausgehn so leer.
Ein guts wort frombt offt viel der Stadt,
das jrr verleiht eim trewer Rath
und thut seim Herren ein guten bricht,
wenn gut offt sind fährlich bezicht.
Auch ist eim sach offt nicht sehr gut,
(denn wer ist’s, der allzeit recht thut?)
dass denn ein Herr wohl ursach hat,
ungnad zu drewen einer Stadt:
als denn solch fewer löschen kann
am besten ein trewer Florian.
Der redt zur Sühn allzeit das best
und sich nicht bald abweisen lässt,
allen fleiss er fürwenden thut,
bis er mög stilln seines Herren unmut.
Hij heeft menige slag afgeweerd
die in ons nadeel zou zijn uitgevallen,
als hij ons werkelijk had getroffen;
daarvan weet de gewone man niets,
hij denkt dat het allemaal toevallig gaat,
dat wij er altijd zo (zonder kleerscheuren) van afkomen.
Een goed woord baat de stad vaak veel,
dat een trouwe raad haar verleent
en brengt aan zijn heer een goed verslag uit,
wanneer goeden vaak gevaarlijk beschuldigd worden.
Ook is een zaak niet altijd zeer goed,
(want wie is het, die altijd het juiste doet?)
zodat een heer dan wel reden heeft
om een stad met ongenade te dreigen:
op zo'n moment kan zo'n vuur het best
geblust
worden door een trouwe Florian.
Hij spreekt altijd het beste voor verzoening
en laat zich niet zomaar wegsturen,
hij wendt al zijn ijver aan,
tot hij de onvrede van zijn heer kan stillen.

























spel met de naamheilige: St Florianus: beschermheilige tegen vuur.

O wohl dem Land, O wohl der Stadt,
die ein solchen Patronen hat,
der jrr von herzen ist geneigt,
im fall der not sein hülff erzeigt!
denn er kann offt ausrichten mehr,
denn sonst ein wolgerüstes heer.

O gezegend het land, gezegend de stad,
die zo'n beschermheer heeft,
die haar van harte is genegen,
in tijden van nood zijn hulp betoont!
want hij kan vaak meer uitrichten
dan anders een goed uitgerust leger.

 
Gleichwohl findt man der Rät (Reht) nicht viel,
ein jeder nur wohl dienen will,
acht’ nicht, ob’s alls zu boden geht,
wenn er nur wohl beim Herren steht.
Der Armen not geht jn nicht an:
das thut niet mein Herr Florian.
Darumb ich jn mit gantzem fleiss
als mein Patron rühm, lob und preis.
Das best hat er bey mir gethan,
und hoff, er wird mich noch niet lan,
desgleich mein Kindern nach meim tod
beistehn und jn helfen aus not.
Armer Witwen und Waiselein
Patron und Vormund wird er sein
und alter Leut sich nehmen an,
den lohn wird er bey Christo han.
Der will’s alls zahl’n bey Gottes gericht
was Armen hie zu gut geschicht,
unvergolten er’s niet lassen mag,
er wird’s rühmen am Jüngsten tag
und sprechen: Komm, mein Florian,
das hastu dem und jenem gethan,
bey mir liess’ hoch gerühmet han
und sonderlich der alt Herman:
jzt will ich’s alls bezahlen dir,
komm und leb ewiglich bey mir,
empfah für deine trew den lohn,
die unverwelklich Himmelskron,
dieselb von anfang ist bereit
allen, die hie barmhertzigkeit
in meinem Namen han erzeigt
und Armen jre Hand gereicht
und gedient mit eim guten wort,
damit sie auch sind kommen fort.
Herr Jhesu, wahrer Gottes Son,
behüt für übel mein Patron
hie zeitlich und dort ewiglich,
von herzen grund das bitt ik dich.
Sein Weib und Kind, sein Leib und gut
durch dein Engel halt stets in hut,
verley jm hie ein langes Leben
und wollst jm dort das ewige geben.
O HErre Christ, die bitt nimm an
von dem alten Niclas Herman,
             Amen.
Toch vindt men niet veel zulke raadsheren,
ieder wil alleen maar goed dienen,
let er niet op of alles te gronde gaat,
als hij zelf maar in de gunst staat bij de heer.
De nood van de armen raakt hen niet:
dat doet mijn heer Florian niet.
Daarom roem en prijs ik hem
met alle ijver als mijn beschermheer.
Hij heeft het beste voor mij gedaan,
en ik hoop dat hij mij nog niet zal verlaten,
evenzo mijn kinderen na mijn dood
zal bijstaan en hen uit de nood zal helpen.
Van arme weduwen en weesjes
zal hij de beschermer en voogd zijn
en hij zal zich over oude mensen ontfermen,
de beloning daarvoor zal hij bij Christus hebben.
Die dat alles zal vergelden bij Gods gericht;
wat de armen hier aan goeds geschiedt,
kan Hij niet onbeloond laten,
Hij zal het roemen op de Jongste Dag
en spreken: "Kom, mijn Florian,
dat heb je voor die en die gedaan,
bij mij heb je een hoge roem laten horen
en in het bijzonder de oude Herman:
nu wil ik je dit alles vergelden,
kom en leef eeuwig bij Mij,
ontvang voor je trouw de beloning,
de onverwelkbare hemelkroon,
die vanaf het begin is bereid
voor allen die hier barmhartigheid
in Mijn Naam hebben betoond
en armen hun hand hebben gereikt
en gediend hebben met een goed woord,
zodat zij ook vooruit konden komen.
Heer Jezus, ware Zoon van God,
behoed mijn beschermheer voor het kwaad
hier in de tijd en daar in de eeuwigheid,
uit de grond van mijn hart bid ik U dat.
Zijn vrouw en kind, zijn lijf en goed,
houd die door Uw engelen steeds in bewaring,
schenk hem hier een lang leven
en geef hem daar het eeuwige leven.
O Heere Christus, neem dit gebed aan
van de oude Nicolaus Herman,
Amen.

 


 

toelichting

Florian Griespek von Griespach (1504–1588) was een van de meest invloedrijke figuren in het Boheemse koninkrijk van die tijd. Hij was keizerlijk adviseur en diende onder drie Habsburgse keizers (Ferdinand I, Maximiliaan II en Rudolf II). Ook als bouwheer heeft hij zich niet onopgemerkt gelaten: het kasteel Nelahozeves (Schloss Mühlhausen) is zijn project.
Hervormingsgezind was hij officieel niet. Kon ook moeilijk anders, want hij was in dienst was van de katholieke Habsburgers. Toch stond hij klaarblijkelijke welwillend tegenover het lutheranisme en steunde hij op z'n minst de protestantse cultuur in de mijnsteden.

De emotierijke toon moeten we niet misverstaan alsof er een hechte persoonlijke band tussen hen was. Dit hoort tot de stijl. De dankbaarheid klinkt welgemeend. Zonder Florian zou hij "aan de bedelstaf" had gelopen.
Toen Herman door ouderdom en ziekte (Podagra / jicht) niet meer kon werken als cantor en leraar, heeft Griespek ervoor gezorgd dat hij een pensioen kreeg en zijn huis behield.
"Durch sein hülff ich erhalten bin,/ mein Haus und Hoff wer sonst dahin"  (Door zijn hulp ben ik behouden, mijn huis en erf waren anders verloren geweest)

Ook de verwijzing naar Griespek als maecenas en patroon van Cultuur en Muziek zal gemeend zijn. 'er liebt fur alle ding die kunst' en is 'gelehrte Menschen' hartelijk toegenegen. Hij zag in Herman niet maar een oude man, maar een getalenteerd dichter die het geloof via muziek naar het gewone volk bracht. Ik las ergens (te verifiëren) dat sommige liederen van Herman ook in katholieke zangboeken zijn terechtgekomen. Hieronder een stuk over deze Florian van een van de afstammelingen:  

from: https://www.gryspek.cz/en/florian-gryspek-z-gryspachu/ 

Florián Gryspek (1509-1588) came from one of the oldest Bavarian aristocratic families. Their residence Griesbach lies in Lower Bavaria where the Gryspek family has been living since the Middle Ages. The oldest most famous ancestor is according to the family genealogy Adalbero de Griesbach, supported with evidence between 1096 and 1120. His family continued not only its aristocratic boom but also its fortune widening for centuries. They had a lot of children and they had to look for jobs in military, church and court services.

He wasn´t mean and belonged to the main knight patrons of humanistic literature. He supported not only a lot of humanists but he also belonged to a small group of "sponsors" who provided finances for publishing Czech books.

Although he was a Catholic, he kept brisk written relationships with well-known European reformers. Gryspek´s first meeting with the leading reformers was at the empire congress in Augsburg which was organized by Karel V to unify the questions of religion (1531). Gryspek took part in it in the suite of Ferdinand I. He met there Filip Melanchton for the first time. He represented Luther with the "Confessio Augustana" proposal. The emperor Karel V agreed with this proposal, which led to the separation of religion. The meeting with Melanchton, who was modest and sensible, meant a very important contact with the tolerant type of humanism for Gryspek. He kept in touch through correspondence with him. Melanchton's pupils were supposed to be Florián´s common guests at Kaceřov and Nelahozeves castles. Literary and philosophical persons met there and Gryspek pleaded for them at the emperor, although they belonged to the other group. As an example, we can mention Matouš Collinus - a humanist, Melanchton´s pupil and a lecturer at the Prague university who was supported by Gryspek.

He also supported two pastors from Jáchymov (Lutherans) - a theologist Jan Matthesius (Luther´s biographer) and a teacher in the Latin school Niklas Hermann who published his own collection of religious Lutheran songs which have been sung so far. No wonder that they glorified Gryspek in their poems and literary works. The emperor tolerated such support of protestants, although he wouldn´t have supported it by the others. When "the Augsburg peace" started to be valid, which meant that people had to have the same creed as their master, Gryspek didn´t force his subjects to have his creed and gave them religious freedom. He only forced them visit the church service every Sunday and on holy days. His sons had been first educated by Humanistic preceptors of non-catholic creed and later, under the influence of Filip Melanchton, he let them study at non-catholic universities in Altdorf, Basel, Strasbourg and Paris. Like their father, they belonged to important patrons of literature in the 16th and 17th century.

Marriages with Czech noblewomen from non-catholic families, tendency to Evangelic belief and political ideas of some of Florián´s sons in the Czech uprising of the Esates between 1618 and 1620, for which their possessions were confiscated, give evidence about the fact that the second generation of the Griespek family merged with the Czech estate environment and grew away from the interests of the central royal politics. After Ferdinand´s death, his son Maxmilián II. (1564-1576) became the emperor and Florián also became his confidant and privy councillor.

Maxmilián was more tolerant towards Protestants than his father. So Florián turned to the ultraquist consistory to send their priests. Since that time, they received Communion of consecrated bread and wine in the Gryspek churches. The abbot of Plasy didn´t like these ideas, especially when Gryspek invited also Lutheran pastors to his demesnes in 1570. He remained a Catholic till his death.

Florián died on 29th March 1588 in Nelahozeves. Fourteen days later, he was buried in the tomb in St. Peter and Paul´s Church in Kralovice. His sons had him made a beautiful epitaph and they were later buried in the tomb, too. The Czech branch, despite a lot of Florián´s children, stayed only a little bit longer than the four generations. The last Czech Gryspek died in 1678 in Střeziměř in the Klatovy region. Under the rule of Florián Gryspek, Kralovice experienced a big upturn, emancipation and legal rise. When Kralovice became a part of the Plasy dominion, it was just a common dependent town. The Gryspek family could be remembered by the Renaissance church and chateaux that disappeared in the 20th century without any trace. The dominant of the town, St. Peter and Paul´s Church, still reminds the old memorable times of the emperor´s clerk. The visitors of the church can get to know about the life of the Czech branch of the Gryspek family in the Chapel of the holy God.