Vorrede van Niclas Herman uit: Historien der Sindtflut etc. , Wittenberg 1562.

De tekst hieronder is via AI-ondersteunde OCR van scans uit Ph. Wackernagel, Bibliographie zur Geschichte des deutschen Kirchenliedes im XVI. Jahrhundert. Verlag Heyder & Zimmer, Frankfurt a.M., 1855, pp. 614-618. De spelling is gemoderniseerd voor leesbaarheid. Ik claim geen wetenschappelijke precisie. De vertaling is van mijn hand (Dick Wursten), met gebruikmaking van het historische woordenboek van de Duitse taal om tijdbepaald idioom op te sporen.

Het voorwoord staat in de eerste uitgave van ... de tweede grote verzamelbundel van bijbelse liederen die hij met Johann Matthesius (voormalig rector, dan Pfarr-herr te Joachimstal) heeft samengesteld, uitgegeven in Wittenberg en Nürnberg (waarna vele herdrukken). Hierin berijmt hij alle bijbelverhalen voor 'zijn leerlingen en hun ouders' en voorziet er zingbare melodieën voor (hetzij nieuwe, hetzij reeds gekende, bij voorkeur uit de kerkelijke zangboeken, maar ook een 'Berg-rey' (mijnwerkers-lied) mag gebruikt worden, zeker bij verhalende stof. (voorwoord III bij SonntagsEvangelia, 1560)

Nicolaus Herman (cantor/schoolmeester, lieddichter. 1500-1561) wil met dit voorwoord aantonen hoe de nieuwe evangelische stadsscholen (zoals de Latijnse school in Joachimsthal, waar hij vanaf het prille begin bij betrokken was) een eind hebben gemaakt aan middeleeuwse 'barbaarse' (zijn woord) toestanden in de kloosterscholen, zowel qua curriculum als qua pedagogiek. Hij staat hiermee helemaal in de lijn van Luther en Melanchthon, die de overheid en burgers steeds weer hebben aangespoord om scholen op te richten, uit te bouwen. Het curriculum werd - net als dat van de universiteit - ook grondig hervormd.

In het begin van dit voorwoord schets hij een indringend beeld van de currende-praktijk en het zingen nach parteken (<— partikels, stukjes brood/munt), bedelen dus, zoals hij het zelf in zijn jeugd nog gekend heeft (ondergaan heeft). Eeuwenlang was dit een normaal onderdeel van het leven van een scholier op de Latijnse school. Meer toelichting ter plekke in de 3de kolom. Ook in de 'Lutherlegende' speelt dit een rol (zie voetnoot). Het dient zowel hier als daar ook een duidelijk propagandistisch doel: Hoe zwarter het verleden, hoe stralender het heden. De humanistisch-reformatorische onderwijshervorming wordt hier dus in de schijnwerpers, het zonnetje, gezet.

Kenmerkende en opvallend in de positieve zin, is dat bij Herman dit ook gepaard gaat met een pleidooi voor een humane pedagogiek. Hij keert zich tegen lijfstraffen, beschouwt dat als 'kindermishandeling' en schuwet zelfs het woord carnificien niet: slachterij. HIj heeft een positief leerlingenbeeld : Kinderen willen graag leren, zeker als je ze de leerstof in voor hen geëigende vorm aanreikt. Dat doet hij dan ook. En hij kan het: de taal van het kind spreken, hun leefwereld bereiken. Vanzelfsprekend speelt muziek (zang) als didactische werkvorm een grote rol voor Herman (hij was per slot van rekening musicus, cantor). Het boek in kwestie is een muzikaal handboek en tegelijk een curriculum voor de zingende godsdienstles. En men leerde lezen en schrijven aan de hand van de catechismus en bijbelse verhalen: Dus zingend taalonderwijs tout court.




Deutscher Text (Modernisiert) Nederlandse Vertaling TOELICHTING
II. Zuschrift / Opdrachtbrief  
Den Vorsichtigen, Ehrbaren und Wohlweisen Herren, Bürgermeister und Rat der Kaiserlichen Freien Bergstadt St. Joachimsthal, meinen gebietenden und günstigen Herren. Aan de vooruitziende, eerbare en zeer wijze heren, Burgemeester en Raad van de Keizerlijke Vrije Mijnstad St. Joachimsthal, mijn gebiedende en gunstige heren.  
Vorsichtige, Weise, Günstige Herren, wenn ich daran gedenke, wie es in meiner Jugend vor fünfzig Jahren und zuvor in Kirchen und Schulen gestanden ist, und wie man darin gelehrt hat, so stehen mir die Haare zu Berge und schaudert mir die Haut. Ich kann es auch unbeseufzt und beklagt nicht lassen. Und es wäre zu wünschen, dass die jetzige Jugend und Schüler nur den halben Teil wissen sollten, was zu derselben Zeit die armen Schülerlein für Elend, Jammer, Frost, Hunger und Kummer haben erleiden und erdulden müssen, und wie sie dagegen so gar übel und unrichtig sind gelehrt und unterwiesen worden. Vooruitziende, wijze, goedgunstige heren. Wanneer ik mij te binnen breng hoe het in mijn jeugd, vijftig jaar geleden en daarvoor, in de kerken en scholen gesteld was en hoe men daarin onderwees, dan rijzen mijn haren te berge en lopen de rillingen mij over de rug. Ik kan dit ook niet zonder zuchten en klagen laten rusten. Het ware te wensen dat de huidige jeugd en scholieren slechts de helft zouden weten van wat de arme scholieren in diezelfde tijd voor ellende, jammer, vorst, honger en kommer hebben moeten lijden en verdragen, en hoe zij in schril contrast daarmee uiterst slecht les hebben gehad en onjuist onderwezen zijn.  
Ja noch einmal, sage ich, wäre es zu wünschen, dass sie es wissen sollten, so würden sie ihre Hände aufheben und Gott von Herzen für die großen Wohltaten und gnadenreiche Zeit, darin sie geboren sind, danken, und ihn loben, ehren und preisen. Denn in gemeinen Schulen war eine solche Barbarei und Unrichtigkeit im Lehren, dass mancher bis in zwanzig Jahr alt wurde, ehe er seine Grammatica lernte und ein wenig Latein verstand und reden konnte. Welches doch gegen dem jetzigen Latein lautet wie ein altes Rumpelscheid oder Strohfiedel gegen der allerbesten und bestimptesten Orgel. Welches man denn mit den ungelehrten Priestern, so zur selben Zeit viel tausend waren, leichtlich bezeugen und beweisen konnte. Ja, nogmaals zeg ik: het ware te wensen dat zij het zouden weten, dan zouden zij hun handen opheffen en God van harte danken voor de grote weldaden en de genadevolle tijd waarin zij geboren zijn, en Hem loven, eren en prijzen. Want in de gewone scholen heerste toen zo’n barbarij en werd het onderwijs helemaal verkeerd aangepakt, zodat menigeen de twintig jaar al gepasseerd was, voordat hij zijn grammatica beheerste en een weinig Latijn begreep en kon spreken. En dat klonk dan vergeleken met het huidige Latijn als een oude rammelkast of strovedel vergeleken met het allerbeste en perfect gestemde orgel. Dit zou men gemakkelijk kunnen aantonen en bewijzen met de ongeletterde priesters, waarvan er in die tijd vele duizenden waren.
Zudem so wurden die armen Knaben mit dem Singen dermaßen beschwert und gepeinigt, dass man von einem Fest zu dem andern kaum Zeit genug haben konnte, die Gesänge anzurichten und zu übersingen, wenn man gleich in der Schule sonst nichts zu lehren und zu lernen bedurft hätte. Und mussten oft die Knaben bei nächtlicher Zeit in einer Metten, in dem harten kalten Winter drei ganze Seigerstunden aneinander in der Kirchen erfrieren, dass mancher sein Lebentag ein Krüppel und ungesunder Mensch sein musste.
Bovendien werden de arme knapen met het zingen dermate belast en gepijnigd, dat men van het ene (kerkelijke) feest naar het andere nauwelijks tijd genoeg kon hebben om de gezangen voor te bereiden en door te zingen, zelfs al had men in de school verder niets had hoeven leren. En vaak moesten de knapen voor de nachtelijke metten, in de harde koude winter, drie volle uren achter elkaar in de kerk bevriezen, waardoor menigeen zijn leven lang kreupel ging en met een zwakke gezondheid.
Het kerkkoor (of kerkkoren, bij meerdere kerken) worden ook gevuld met knapen van de Latijnse school. Zij verzorgen de liturgische zang. De Cantorey
Dit is niet veranderd door de Reformatie. Muziekles was dus tegelijk ook voorbereiding op de liturgie.
 — vgl J.S. Bach in Leipzig, cantor-leraar aan de Thomasschool. Bach heeft exact dezelfde opdracht als Niclas Herman: lesgeven en kerkmuziek verzorgen. Alleen is Bach ook nog stedelijke muziekdirecteur, en is Leipzig wel iets grootser dan Joachimstal twee eeuwen eerder.
Die armen Kinder, die nach Parteken herum sungen, das waren rechte natürliche Märtyrer. Wenn sie in der Schule genugsam gemartelt waren und in der Kirchen erfroren, mussten sie danach allererst hinaus auf die Gart (cum sacco per civitatem). Und wenn sie mit großer Mühe, Regen, Wind und Schnee etwas ersungen, mussten sie dasselbe den alten Bacchanten, welche daheim auf der Bärenhaut lagen, wie einem Crachen, in den Hals stecken. Und sie, die Knaben, mussten maut ab sein und darben, dagegen sollten sie die Bacchanten unterweisen und mit ihnen repetieren, und konnten oft selber nichts denn Scamnum deklinieren. Magister und Musa hatten sie nicht gelernt. De arme kinderen die om broodkuimels  zingend omgingen, dat waren ware, natuurlijke martelaren. Wanneer zij in de school genoegzaam gemarteld waren en in de kerk bevroren, moesten zij ook nog eens het bedelpad opgaan ("met de bedelzak door de stad"). En wanneer zij met grote moeite, regen, wind en sneeuw iets bij elkaar hadden gezongen, moesten zij dat bij de oude Bacchanten (oudere leerlingen, studenten), die thuis op het berenvel lagen, als bij een kraai, in de hals (bek?) steken (voeren). En zij, de knapen moesten honger lijden en ontberingen, en ze moest daarentegende Bacchanten onderwijzen en met hen repeteren, terwijl die vaak zelf niets anders konden dan (het woord) Scamnum (= kruk) verbuigen. Magister en Musa hadden zij nooit leren kennen. Parteken (portecken of particulen) van het Latijnse particula (stukjes), verwijzend naar de kleine stukjes brood, restjes eten of muntjes, die de bedelzangers kregen:"nach parteken singen" = zingend bedelen om eten.  
Eerst dus als school/kerkkoor optreden, dan de straat op om als
Currende koor (Latijn: currere, rennen/lopen) voor voor de huizen van welgestelde burgers of bij herbergen (geestelijke) liederen of zelfs motetten te zingen. Deze vorm van bedelarij was door de kerk en overheid gelegaliseerd. In ruil voor de zang kregen de kinderen aalmoezen (geld) of voedsel. Dit werd hen vaak toegeworpen (over de heg, uit het raam). Voor arme studenten de enige manier om schoolgeld en levensonderhoud te bekostigen. droegen vaak kenmerkende zwarte mantels en platte hoeden, en hadden een 'bedelzak' om (zoals de bedelmonniken (Besace in het Frans : symbool geworden voor les gueux, de 'geuzen'): cum sacco per civitatem "met de bedelzak door de stad" trekken is een staande uitdrukking (bedelmonniken, o.a. bij Eobanus Hessus) en wordt in de biografie van Luther steevast geciteerd bij de vernederende opdrachten die hij als kind in de kloosterschool moest ondergaan. (zie noot onderaan) De hiërarchie: Bacchanten: Dit waren de oudere studenten (adolescenten/volwassen), de officiële 'leiders' van de groepjes. De Schutsen: Dit waren de jongere leerlingen (de 'knapen' waar Herman over spreekt). De Bacchanten dwongen de jongere Schutsen om het zware werk te doen: urenlang in de kou zingen en de zakken met voedsel dragen. Eenmaal terug in de herberg of school namen de Bacchanten het beste eten en het meeste geld voor zichzelf (als kraaien "in hun keel steken", voederen), terwijl de kinderen honger leden ("darben").
Magister und Musa : taalbeheersing en echte kennis van het werk van de muzen (meer dan muziek alleen, ook retorica, poezie etc..)


Und wie die Lehre und Schulmeister waren, so waren auch gemeiniglich die Schulen, die garstigsten, unflätigsten Häuser, dass Bütteleien, Schindereien und Henkereien lauter Schlösser und Paläste dagegen waren. In solchen garstigen unflätigen Häusern, mitten unter den Wanzen und Mäusen, Flöhen und Läusen, und was der Bursalia mehr waren, musste die liebe Jugend erzogen werden, die einst sollten Lehrer und Regenten geben. Dieses aber alles wäre noch hingegangen und zu dulden gewesen (...), wenn es allein mit der Lehre besser gestanden wäre und die Kinder zur Erkenntnis Gottes Wortes und unseres Seligmachers Christi hätten kommen mögen, und wären nicht so jämmerlich auf die Abgötterei gezogen und gewiesen worden. En zoals het onderwijs en de schoolmeesters waren, zo waren gewoonlijk ook de scholen: de smerigste, onvriendelijkste huizen, waarbij gevangenissen, slachthuizen en beulswoningen louter paleizen waren. In zulke smerige huizen, midden tussen de wantsen, muizen, vlooien en luizen, en wat er allemaal wel niet in die studentenkoten was, moest de lieve jeugd opgevoed worden om ooit zelfs leraar of regent te worden. Dit alles was echter nog te dulden geweest, (...) als het met de leer zelf maar beter gesteld was geweest en de kinderen tot de kennis van Gods woord en onze Zaligmaker Christus hadden kunnen komen, en niet zo jammerlijk tot afgoderij waren gebracht.








de passage tussen haakjes : opvoedkundig nut van ontberingen.
Ich will nur von den Gesängen sagen, daraus man leicht verstehen kann, wie die Religion gestanden sei. Dieselben waren zum mehrern Teil dahin gerichtet, dass man darin die hochgelobte Jungfrau Maria und die verstorbenen Heiligen anruft. Vom Herrn Christus wusste niemand zu singen oder zu sagen. Er ward schlechts für einen gestrengen Richter, bei dem man sich keiner Gnade, sondern eitel Zorn und Strafe zu versehen, gehalten und ausgegeben. Darum musste man die Jungfrau Maria und lieben Heiligen zu Vorbittern haben. Ik beperk me tot de liederen, waaruit men gemakkelijk kan begrijpen hoe het met de religie gesteld was. Deze waren voor het merendeel erop gericht dat men de hooggeloofde maagd Maria en de overleden heiligen aanriep. Van de Heer Christus wist niemand iets te zingen of te vertellen. Hij werd louter voor een strenge rechter gehouden, bij wie men geen genade, maar enkel toorn en straf te verwachten had. Daarom moest men de maagd Maria en de lieve heiligen als voorspraak hebben.




singen und sagen,
typisch Lutherse combinatie, prominent in zijn voorwoord bij de Duitse vertaling van het Nieuwe Testament om uit te leggen wat 'Evangelium' eigenlijk betekent.



Es werden die Alten noch einsteils die Gesänge kennen:
           Maria zart von edler Art;
Item: Die Frau von Himmel ruf ich an;
Item: St. Christoph du viel heiliger Mann;
Item: Du lieber Herr St. Niklas wohn uns bei etc. und dergleichen Lieder, die dazumal häufig im Schwang gingen in deutscher Sprache.
De ouderen zullen de liederen nog wel kennen:
         Maria zart von edler Art;
ook: Die Frau von Himmel ruf ich an;
ook: St. Christoph du veel heiliger Mann;
ook: Du lieber Herr St. Niklas wohn uns bei enz., en dergelijke liederen die destijds in de Duitse taal veel in zwang waren.
 
Ich will der Lateinischen geschweigen, der waren dazumal unzählig viel, die alle nur von der Jungfrau Maria und den Heiligen lauteten. Und da es ohne den lieben Choral de tempore, und den Psalterium gewesen wäre, so wäre unsers Herrn Gottes gar vergessen worden, und hätte von ihm niemand was gesungen oder geklungen, sondern es wären auf die Letzt eitel Salve Regina, Requiem, und dergleichen Gesänge in die Kirche kommen. Ik zal over de Latijnse [liederen] maar zwijgen; daarvan waren er destijds ontelbaar veel, die alle enkel over de Maagd Maria en de heiligen gingen. En als het dierbare koorgezang voor de verschillende tijden van het jaar (de tempore) en het psalterium er niet waren geweest, dan zou onze Heere God geheel vergeten zijn en zou niemand over Hem iets hebben gezongen of laten klinken; in plaats daarvan zouden er uiteindelijk louter liederen als het Salve Regina, Requiem en dergelijke in de kerk zijn gekomen. Choral de tempore: is niet het koraal, maar de cantus choralis [de Gregoriaanse zang uit de gewone liturgie, geordend volgens het kerkelijk jaar: de tempore] en het psalterium [de Latijnse Psalmen, met hun antifonen]
Denselbigen löblichen und Christlichen Choralgesang hat der allmächtige Gott aus sonderlichen Gnaden samt dem Psalterio in der Kirchen erhalten, daraus denn viel Knaben zu Erkenntnis Gottes Worts kommen sind, und wird ihnen auch sonder Zweifel bis ans Ende erhalten. Und Christliche Obrigkeiten und Superintendenten sollen darob sein, dass er in ihren Kirchen und Schulen treulich getrieben werde, wie ich denn denselben, da er vor etlich 20. Jahren zum mehrern Teil alhie gefallen war, mit grosser Mühe und Arbeit wiederum herfür brachte, und dieweil keine Bücher fürhanden, mit meiner Hand geschrieben habe, wie denn die Bücher, so für der Hand sind, ausweisen etc. Diezelfde loffelijke en christelijke koraalzang heeft de almachtige God uit bijzondere genade samen met het psalterium in de kerk behouden, waardoor veel knapen tot kennis van Gods Woord zijn gekomen; dit zal voor hen zonder twijfel ook tot het einde behouden blijven. Christelijke overheden en superintendenten moeten erop toezien dat dit in hun kerken en scholen trouw wordt beoefend. Ikzelf heb dit, toen het zo’n 20 jaar geleden hier voor het grootste deel in verval was geraakt, met grote moeite en arbeid weer hersteld. Omdat er geen boeken voorhanden waren, heb ik deze met eigen hand geschreven, zoals de boeken die nu beschikbaar zijn ook uitwijzen. Ook hier dus niet de koralen, maar de liturgische zang, die Luther in zijn 'Duitse mis' heeft behouden.
Idem voor de Duitse Psalmen binnen de liturgie: onberijmd.





De herinnering aan de schoolopbouw in Joachimstal (stad gesticht 1516, Herman is daar vanaf 1518).
Und dass ich wieder ad Propositum komme, wenn die liebe Jugend (von der wegen ich diesen Handel so weitläufig, wiewohl nicht den zehenden Teil, erzählet hab) wissen sollte, wie es vorzeiten so ein arm Ding in Schulen gewesen ist, so würde sie billig Gott und der lieben Obrigkeit danken für die grosse Gnad und Wohltat, dass die Schulen dermassen repurgiert und reformiert sein, dass sie nunmahl geschickte und Gottesfürchtige Preceptores haben, die sie in dem heiligen Catechismo, Sprachen und guten Künsten aufs aller treulichste unterweisen, also, dass ein Knab in kurzer Zeit seine Grammatica in Lateinischer und Griechischer Sprach, lernen und begreifen kann, und in wenig Jahren zu dem Verstand und Lehre kommen mag, daran die Alten ihr Lebentang zu lernen hatten, und vermochten, doch, aus mangel der Bücher und gutem Lehrer, so weit gar nicht zu kommen. En om weer op mijn onderwerp (ad Propositum) terug te komen: als de lieve jeugd (voor wie ik dit relaas zo uitvoerig, hoewel het nog geen tiende deel is, verteld heb) zou weten wat voor een armzalige toestand het vroeger op de scholen was, dan zouden zij God en de lieve overheid terecht danken voor de grote genade en weldaad dat de scholen dermate gezuiverd en hervormd zijn. Zij hebben nu bekwame en godvruchtige leermeesters (preceptores) die hen uiterst trouw onderwijzen in de heilige catechismus, in talen en in de goede Kunsten (artes). En wel zo, dat een knaap in korte tijd zijn grammatica in het Latijn en Grieks kan leren en begrijpen, en in enkele jaren een niveau van begrip en inzicht kan bereiken, waar de ouderen hun leven lang over zouden hebben gedaan, en — bij gebrek aan boeken en goede leraren — toch nooit zo ver zouden kunnen zijn gekomen
So ist die Disciplin auch dermassen restringiert und eingezogen, dass (Gott lob) verständige Schulmeister andere Weise und Form brauchen, die Kinder zu lehren, denn mit übrigen Streichen und Schlagen, wie etwan der Brauch gewesen ist mit dem Bachantischen Lupus, und andern henkerischen Carnificinen. Zo is ook de discipline dermate beperkt en ingeperkt dat (Gode zij dank) verstandige schoolmeesters andere wijzen en vormen gebruiken om de kinderen te onderwijzen, dan met overmatige klappen en slagen, zoals voorheen het gebruik was onder de bacchantische "Lupus"en andere beulachtige "afslachtingen" De schooltucht: 'verstandige' schoomeesters, geen overmatige slaag en verklikkingssysteem, zoals vroeger.
Lupus en carnifex termen uit de dagelijkse schoolwereld, die gekenmerkt werd door een georganiseerd systeem van interne terreur en discipline, waarbij leerlingen tegen elkaar werden uitgespeeld. studenten/scholieren verklikken elkaar, voeren lijfstraffen uit onder toezicht etc. De rol van slachtoffer kon je verwisselen voor die van beul door zelf weer iemand anders aan te brengen. (zie Petrus Mosellanus, Paedologia, en de aut0biografie van Thomas Platter.)
zie voetnoot onderaan.
Bei dem allem, so werden jetzund nicht allein die Schuldiener von der lieben Obrigkeit mit ziemlicher Besoldung versehen, und feine ehrliche Wohnungen und Schulen gebaut, sondern an viel Orten (wie denn auch allhie im Joachimsthal) werden die armen Schüler bekleidet, und Gottfürchtige fromme Leute, versehen sie mit Büchern, hausen, herbergen, und unterhalten sie, und tun ihnen alle Vorschübe, Handreichung und Förderung, damit sie studieren, und mit der Zeit der Kirchen und gemeinem Nutz, dienstlich und nutz sein können. Bij dit alles worden hedentendage niet alleen de schooldienaren door de lieve overheid van een redelijke bezoldiging voorzien, en worden er mooie en passende woonhuizen en scholen gebouwd, maar worden ook op veel plaatsen (zoals ook hier in Joachimsthal) de arme leerlingen gekleed, en godvruchtige, vrome lieden voorzien hen van boeken, huisvesting en onderhoud, en faciliteren, ondersteunen en stimuleren hen, zodat ze kunnen studeren en mettertijd de kerk en de samenleving van nut en dienstig kunnen zijn.
Wie denn E. E. W. derselbigen Knaben alhie in eurer Schulen in 30 Jahren eine merkliche Anzahl, einheimische und fremde, als trotz jegent einer Stadt, erzogen haben, welche jund grosse Potentaten, Fürsten, Herren und Städten, in Kirchen, Schulen, Regimenten, Kanzleien und Ämtern mit Ehren dienen, und diesem Joachimsthal für die empfangene Lehre und Wohltaten, die ihnen alhie widerfahren, Dank, Lob und Preis nachsagen. Wie ich denn selber solcher Briefe van meinen gewesenen Schülern das Jahr über viel empfange, darinnen sie sich dankbar gegen dieser Schul und Bergstadt erzeigen. Zoals Uwe Edele Wijsheid van diezelfde knapen hier in uw scholen in 30 jaar tijd een aanzienlijk aantal, zowel autochthone als vreemdelingen uit vele steden, heeft opgevoed. Zij dienen nu grote potentaten, vorsten, heren en steden in kerken, scholen, regimenten, kanselarijen en ambten met ere, en spreken hun dank en lof uit over Joachimsthal voor de genoten lessen en weldaden die hen alhier ten deel zijn gevallen. Ik ontvang zelf het hele jaar door veel van zulke brieven van mijn voormalige leerlingen, waarin zij zich dankbaar tonen tegenover deze school en bergstad.
Diese grosse Gelegenheit und Vorteil zum Studieren, sollten billig die Kinder reizen, dass sie desto lieber in die Schule gingen, und studierten, und den Eltern ein Ursache sein, dass sie dieselbigen ihre Kinder fleissig dazu hielten, und sonderlichen in ihrer Jugend, ehe sie zu Kräften kommen, und zu irgend einer Handarbeit mögen gebraucht werden. Deze grote gelegenheid en dit voordeel om te studeren zouden de kinderen billijkerwijs moeten aanmoedigen om liever naar school te gaan en te studeren, en voor de ouders een reden moeten zijn om hun kinderen daar ijverig toe aan te houden, vooral in hun jeugd, voordat zij op krachten komen en voor enig handwerk ingezet kunnen worden.
Denn ob wohl das wahr ist, dass der Zwanzigste kaum geredet, und bei dem Studieren verharret, so ist doch das wiederum dagegen auch wahr, dass alle Knaben, so in ihrer Jugend in Schulen erzogen werden, dennoch zum mehrerem Teil ihren Catechismum darin lernen, und mit heraus bringen. Item, sie lernen schreiben und lesen, und dasselbige bei einer Zucht und Disciplin, da ihnen ihr Mutwill nicht, wie gemeiniglich in Deutschen Schulen, gestattet und nachgelassen wird. Want hoewel het waar is dat een twintigjarige nauwelijks spreekt en bij de studie volhardt, is het ook waar dat alle knapen die in hun jeugd op school gevormd worden, daar toch voor het merendeel hun catechismus leren en meenemen. Ook leren zij schrijven en lezen, en dat onder een tucht en discipline waarbij hun moedwil niet ongestraft blijft, zoals vaak gebruikelijk is op Duitse scholen.
Etliche aber lernen auch ihr Latein ziemlich reden und verstehen, dass sie sich zur Not damit behelfen können, und wie man sagt, sie niemand verraten kann. Diese alle miteinander, sind nachmals zu allen Dingen geschickter, denn die jenigen, so bei dem Pflug, oder anderswo, erzogen werden. Und wenn sie erwachsen, sind sie nicht so wild und störrisch, intractabiles, und können zu bürgerlichen Händeln besser gebraucht werden, denn die, so in ihrem eigenen Södel aufgewachsen, und in die Schule nicht gekommen sind. Sommigen leren ook hun Latijn redelijk spreken en verstaan, zodat zij zich in nood kunnen behelpen en niemand hen, zoals men zegt, kan verraden. Zij allen zijn naderhand tot alle dingen geschikter dan degenen die bij de ploeg of elders zijn opgegroeid. Wanneer zij volwassen zijn, zijn zij niet zo wild en onhandelbaar (intractabiles) en kunnen zij beter ingezet worden voor burgerlijke zaken dan degenen die in hun eigen stal zijn opgegroeid en niet op school zijn geweest.
Es werden auch darnach aus denselbigen feine ehrliche Bürger und Hausväter, die Kirchen und Schuldiener lieb haben, fördern und ehren, und ihre Kinder auch zur Schule ziehen und halten, und gemeinen Nutz mit Treuen meinen, zu Fried und Einigkeit raten helfen, und gemeiner Stadt Wohlfahrt und Gedeihen besser bedenken und beratschlagen können, denn grobe Cuius, die ihr Lebtag keinen Buchstaben gelernt haben. Daarnaast worden zij eerlijke burgers en huisvaders die kerk- en schooldienaren liefhebben, steunen en eren, hun eigen kinderen naar school sturen, het algemeen nut trouw dienen en tot vrede en eenheid adviseren. Zij kunnen de welvaart en bloei van de stad beter overdenken en bespreken dan onwetende lieden (Cuius) die hun leven lang geen letter hebben geleerd.
Und nachdem zu diesen Zeiten (Gott lob) viel schöner Bücher in Deutscher Sprach, in heiliger Schrift, desgleichen Chroniken, gute auserlesene Historien und kunstreiche Gedicht, wie denn die schönen artigen Poemata sein des kunstreichen Hans Sachsen von Nürnberg fürhanden sind, so findet man manchen ehrlichen Hausvater, auch Handwerksgesellen, der setzt sich am Feiertag (oder sonst zu seiner Gelegenheit) über, und lieset in der Biblia, oder ein gute Historien, da dagegen die andern, so sonst nichts gelernt haben, zum Bier und Wein liegen, spielen und rasseln etc. Aangezien er in deze tijd (Gode zij dank) veel mooie boeken in de Duitse taal beschikbaar zijn — de Heilige Schrift, kronieken, goede historieën en kunstige gedichten, zoals de fraaie verzen van Hans Sachs uit Neurenberg — vindt men menig eerlijk huisvader of gezel die op een feestdag in de Bijbel of een geschiedenis leest, terwijl anderen die niets hebben geleerd in de herberg liggen te drinken, te spelen en te razen.
Und dieweil ich solchen Christlichen Hausvätern und ihren Kindern zu Gefallen, zuvor die Evangelia gesangsweise gestellt habe, und dieselbige meine Arbeit, viel gelehrten und verständigen Leuten annehmlich und gesellig ist, und ich von derselbigen etlichen gebeten worden bin, dass ich die Historien aus dem alten Testament, welcher ich in dem vorigen Büchlein gedacht habe, auch wollte an Tag kommen lassen, hab ich ihnen solche Bitt nicht abschlagen wollen. Und bin ihnen in dem desto lieber zu Gefallen worden, dieweil sich der Ehrwürdige und Wohlgelahrte Herr M. Johannes Matthesius, unser Pfarrherr, mein lieber Herr und alter Freund, vermögen hat lassen, und mir eine Vorrede in das Büchlein gutwilliglich gestellt. Omdat ik zulke christelijke huisvaders en hun kinderen een plezier wilde doen, heb ik eerder de Evangeliën in gezangvorm gezet. Omdat dit werk door velen gewaardeerd werd en men mij vroeg ook de historieën uit het Oude Testament uit te geven, heb ik dit verzoek niet willen weigeren. Ik heb dit des te liever gedaan omdat de eerwaardige heer M. Johannes Matthesius, onze pastoor en mijn oude vriend, bereid was een voorrede voor dit boekje te schrijven.
Darnach so hat mich bewegt der unzählige und grosse Nutz, den ich befinde, der aus diesen Historien kann geschöpft werden, denn sie voller Trostes und nützlicher Lehre sind, daraus man sich, in aller vorfallender Not, Trostes erholen kann. Und in Sonderheit, weil wir Bergleute, vor anderen, oft Trostes bedürfen, dieweil wir so gar eine ungewisse und unbeständige Nahrung haben, dergleichen man in allen Gewerben und Handtierungen kaum findet, denn heute Bischof und morgen Bader, jetzt reich, bald arm, also, dass wir schlecht unserem Herrn Gott müssen in die Hände sehen, und auf seine Güte warten. Daarnaast ben ik bewogen door het grote nut van deze historieën; zij zitten vol troost en lessen voor tijden van nood. Vooral wij mijnwerkers hebben vaak troost nodig, omdat ons levensonderhoud zo onzeker is — vandaag rijk, morgen arm — zodat wij eenvoudigweg op Gods handen moeten kijken en op Zijn goedheid moeten wachten.
Wenn Er sich denn nun bisweilen vor uns verstecket, und das Bergwerk auch flecken lässet, dass oft wenig Anbrüche fürhanden sind, so findet man alsdenn unser viel, die kleinmütig werden, und von Stund an verzagen wollen. Und denkt einer wo er da hinaus, und der ander wie er dort hinaus wolle. Und die in Ämtern und Regiment stehen, bekommen auch schwere Gedanken, und klagen, und machen Philippische Rechnung, und sprechen: Wie wollen wir Kirche, Schul, und gemeiner Stadt Diener und Gebäude erhalten, das Einkommen schneidet sich ab, die Ausgaben sind zu gross etc. Und zwar menschliche Vernunft, ohne Gottes Wort, kann ihm anders nicht tun, denn sie siehet nur auf das Gegenwärtige, und auf den Vorrat, wie Philippus auf die fünst Brot und wenig Fischlein. Wanneer Hij zich soms verbergt en de mijnbouw tegenvalt, worden velen onder ons kleinmoedig en wanhopig. Men vraagt zich af hoe men moet overleven. Ook zij in het bestuur krijgen zware gedachten, klagen en maken "Filippische berekeningen" en spreken: "Hoe zullen wij de kerk, school en stadsgebouwen onderhouden? De inkomsten lopen terug, de uitgaven zijn te groot, etc." De menselijke rede zonder Gods woord kan inderdaad niet anders dan kijken naar het tegenwoordige en naar de voorraad, zoals Filippus keek naar de vijf broden en weinige visjes.



Wenn nun die Ochsen dermassen am Berge stehen, da ist kein besser Rat, man laufe in die Heilige Schrift, und suche in den Historien, und sehe, wie Gott seine Heiligen so wunderlich geführet, und so gnädiglichen in aller Hungers und ander Not, oftmals sie erhalten hat. Alsdann findet man allda tröstliche Exempel, darinnen wir uns spiegeln sollen, und gedenken: Wohlan, der Gott lebt noch, der Samariam errettet, da sie belagert war von Feinden, und alles darin aufgefressen und verzehrt war, also, dass auch ein Eselskopf 8 Silberlinge, und ein Mass Taubenmist 3 Silberlinge galten. Ja, die Mütter griffen ihre eigenen Kinder an, würgten sie, und frassen sie. Und da nun keine Hoffnung mehr fürhanden war, sie mussten sich den Feinden untergeben, oder Hungers sterben, da schicket es Gott in einer Nacht, dass ihre Feinde flohen, und alle ihre Proviant hinter sich liessen, und die Stadt damit gespeiset, und eine solche Wohlfeil wurde, dass solches, ein Tag zuvor (da es der Prophet verkündigt) jedermann unglaublich und unmöglich deuchte. Wanneer de nood hoog is ("de ossen aan de berg staan"), is er geen betere raad dan de Heilige Schrift te raadplegen en te zien hoe wonderbaarlijk God Zijn heiligen heeft geleid en hen in honger en nood heeft onderhouden. Men vindt daar troostrijke voorbeelden, waaraan wij ons spiegelen kunnen en ons optrekken: Welaan, de God leeft nog die Samaria redde toen zij belegerd werd en alles daarin opgegeten was, zodat zelfs een ezelskop 8 zilverlingen en een maat duivenmest 3 zilverlingen gold. Ja, moeders grepen hun eigen kinderen aan, worgden hen en aten hen op. En toen er geen hoop meer was en men zich moest overgeven of sterven van de honger, schikte God het in één nacht dat de vijanden vluchtten en hun voorraad achterlieten, waardoor de stad werd gespijzigd en er een overvloed kwam die een dag tevoren nog iedereen onmogelijk toescheen.



Wie oft hat das Bergwerk alhie die Füsse dermassen zu sich gezogen, dass der mehrere Teil unter uns hat verzagen wollen? Und ehe man sich umgesehen hat, hat Gott einen Schatz aufgetan, und manchem, dem man nicht gern eine Kandel Bier geborgt, so viel gegeben, dass er sein Lebtag nicht hätt den zwanzigsten Teil hoffen dürfen. Und ist also das ganze Bergwerk dadurch wiederum erquicket und erfrischet worden. Hoe vaak heeft het werk in de mijnbouw hier ons de grond onder de voeten weggeslagen, zodat het merendeel onder ons het had willen opgeven? En nog voor men het wist, heeft God een schat geopend en menigeen aan wie men nog geen kan bier had willen borgen, zo veel gegeven dat hij zijn leven lang niet het twintigste deel had durven hopen. Zo is het hele mijnwerk weer herleefd en verfrist.
Wen sollte doch nicht die Historia trösten vom Helia? Welchen Gott so wunderlich erhielt und speiset, durch die Raben, durch die arme Witwe, und leiblich durch die lieben Engel etc. Item, die Kinder Israel speiset er 40 Jahr in der Wüstene, da weder Korn noch Brot war. Dazu ihre Kleider am Leibe, die Schuch an den Füssen, zerrissen nicht. Wie zou niet getroost worden door de geschiedenis van Elia, die van Godswege zo wonderlijk werd gered en gespijst, door raven, een arme weduwe en lijfelijk door de engelen etc.  Ook de kinderen Israëls voedde Hij 40 jaar in de woestijn zonder koren of brood, waarbij hun kleren en schoenen niet versleten.
Joseph war ein armer, elender, verkaufster, leibeigener Knecht, und Gott macht einen Regenten und Herrn aus ihm in ganz Egyptenland. Die Kunst kan unser Herr Gott noch, und beweist sie für und für. Wie mancher ist in dieses Thal gekommen, der keinen Gulden hat herein gebracht, und Gott hat ihm alhie Ehr und Gut bescheret, und aus manchem einen grossen Amtmann und Regenten gemacht? Jozef was een arme slaaf, en God maakte een regent van hem in heel Egypte. Die kunst verstaat onze Heere God nog steeds. Hoe menigeen is in dit dal gekomen zonder een stuiver, en God heeft hem hier eer en goed geschonken en uit velen een groot ambtman of regent gemaakt?
Weil wir nun die Historien und die tägliche Erfahrung und Exempel vor uns haben, sollten wir uns billig damit trösten können, und nicht so kleinmütig sein, und so bald verzagen. Denn das ist gewiss, dass Gott diese löbliche Bergstadt von 40 Jahren wegen nicht hat erbauen lassen, weil er darinne selbst durch sein Wort und Sacrament wohnet, und ihm alhie eine Kirche aus allen Nationen versammelt hat. Nu we deze historieën en dagelijkse ervaringen voor ons hebben, moeten we ons billijkerwijs kunnen troosten. Want het is zeker dat God deze loffelijke bergstad in deze 40 jaar niet zonder reden heeft laten bouwen, aangezien Hij er zelf door Zijn Woord en Sacramenten woont en hier een kerk uit alle natiën heeft verzameld.
Der Poet schreibt, die Göttin Juno hat über der schönen Stadt Carthago gehalten und sie beschützet, darumb, dass sie gern da wohnet, und ihre Wagen und Kriegsrüstung da hatte. Wie viel mehr sollen wir Christen glauben, dass unser wahrhaftiger Gott und Vater bei uns und über uns halten werde, weil er bei uns auch wahrhaftig ist mit seinem Wort und H. Sacramenten, gibt uns eine gnädigste Obrigkeit, Fried und Ruh, und Christliche Schulen, darinnen viel hundert Jünglingen ihre unschuldigen Händlein aufheben, und täglich bitten, für die hohe und niedrige Obrigkeit, für Gedeihen und Zunehmen des Bergwerks, für Wohlfahrt gemeiner Stadt, und andere Notdurft. De dichter schrijft dat Juno Carthago beschermde omdat zij er graag woonde. Hoeveel meer moeten wij christenen geloven dat God bij ons zal zijn, aangezien Hij hier waarachtig aanwezig is met Zijn Woord en Sacramenten, ons een genadige overheid geeft en christelijke scholen waarin honderden jongeren dagelijks bidden voor het welzijn van de stad en de mijnen.
Diese wird Gott gewisslich unerhört nicht lassen. Darumb sollen wir getrost sein, und nicht so leichtlich kleinmütig und zaghaftig werden, sondern die schönen lieblichen Historien vor uns nehmen, und uns dieselben nutz machen, Gottes Gnad und väterlichen Willen gegen uns daraus lernen erkennen. God zal deze gebeden niet onverhoord laten. Daarom moeten we getroost zijn en niet zo snel kleinmoedig worden, maar de mooie historieën ter hand nemen en Gods genade en vaderlijke wil daaruit leren kennen.
Solches alles kann man aus der Heiden Historien nicht lernen. Denn was ist der grosse Alexander, Scipio und Hannibal gegen Mose? Was gilt der Hercules, Hector und Ajax gegen Samson und Josua? Was sind alle Könige der Heiden gegen David, Salomon und Hiskia? etc. Zu dem so ist es noch ungewiss, ob ihre Historien alle wahr sind. Und ob sie es schon wären, was können sie uns trösten? Dit alles leert men niet uit heidense historieën. Want wat is Alexander vergeleken met Mozes? Wat stelt Hercules voor tegenover Simson? Wat zijn heidense koningen vergeleken met David of Salomo? Bovendien is het onzeker of hun verhalen waar zijn, en zelfs dan bieden ze geen troost.
Und weil je die Jugend und ehrliche Leute Lust haben zu lesen und singen von tapferen grossen Helden, so verhoffe ik, diese meine Arbeit solle ihnen angenehm sein, und gefallen, dieweil man aus diesen Historien Gottes Wunderwerk und gnädigen Willen gegen uns erkennen, Lehre und Trost daraus bekommen möge. En omdat de jeugd nu eenmaal graag leest over dappere helden, hoop ik dat dit werk hen bevalt, aangezien men uit deze historieën Gods wonderen en genadige wil kan leren kennen en daaruit troost kan putten.
Auch hab ich zu diesen Historien etliche aus den Evangelisten, welche dem gemeinen Mann nicht so gar bekannt sind, als die Sonntags Evangelia, neben etlichen Psalmen und geistlichen Liedern, gesetzt, und drucken lassen, und allesamt E. E. W. dediziert und zugeschrieben, damit dieses Büchlein durch E. E. W. Namen der Jugend commendiert, und eine Autorität haben möge. Ook heb ik aan deze historieën enkele uit de evangelisten die de gewone man meestal niet kent, de zondagsevangeliën naast enige psalmen en geestelijke liederen toegevoegd, en deze laten drukken en aan Uwe Edele Wijsheid opgedragen, zodat dit boekje door uw naam gezag mag hebben bij de jeugd.
Und weil ich Schwachheit halben meines Leibes, euer Kantorei nicht länger hab versorgen können, so wollt ich dennoch gern meine übrigen wenig Tage, die ich noch zu leben haben möchte, an dieser löblichen Kirchen und Gemeine Dienst, wenden, und ihr die geringe Gabe, die mir Gott aus Gnade verliehen, mitteilen. Bitt derwegen ganz demütiglich, E. E. W. wollten diese meine Wohlmeinung und guten Willen, von eurem alten Diener und Bürger im Besten erkennen und günstiglich annehmen. En omdat ik door lichamelijke zwakte uw cantorij niet langer kon dienen, wilde ik toch de weinige dagen die mij nog resten in dit leven, aan deze loffelijke kerk en de Gemeente Dienst wijden, en u in dit geringe  geschenk, dat God mij gegeven heeft, laten delen. Ik bid daarom nederig dat Uwe Edele Wijsheid dit blijk van mijn goede bedoeling en goede wil van uw oude dienaar en burger ten goede opvatten en gunstig aannemen. de cantor is in dienst van het stadsbestuur. Hij is een ambtenaar (idem voor de Pfarrer).
De verzorging van de liturgie (cantorij) is verantwoordelijkheid van de burgerlijke overheid
Idem bij Bach.
Der barmherzige Gott unser lieber Vater wolle E.E.W. und diese löbliche Bergstadt samt dem lieben Bergwerk, Kirche und Schulen in seinen gnädigen Schutz nehmen, segnen und erhalten, zu seines heiligen Namen Lob und Preis. Amen
De barmhartige God, onze lieve Vader, moge uw Eerwaarde Wijsheid tesamen met de lieve mijnbouw, kerk en scholen, in Zijn genadige bescherming nemen, zegenen en behoeden, tot lof en prijs van zijn heilige Naam. Amen

Datum Joachimsthal am Tag Bartholomäi, Anno Domini 1560.
E.E.W. untertäniger und gehorsamer Diener, Niclas Herman, der alte Cantor.
Datum Joachimsthal op de dag van Bartholomeüs, Anno Domini 1560.
Uwe Eerwaarde Wijsheid onderdanige en gehoorzame dienaar, Niclas Herman, de oude Cantor.



VOETNOOT bij de tekst rondom Luther als 'Partekenfresser':
ook Martin Luther noemt zichzelf een "Partekenfresser" (in oudere Nederlandse vertalingen vaak wat ongelukkig weergegeven als partekenhengst). Hij verwijst daarmee naar zijn eigen tijd als behoeftige scholier in Maagdenburg en Eisenach. De term duidt dus net als bij Herman op de rauwe realiteit van het overleven op straat, waarbij scholieren vaak urenlang in de kou moesten zingen om een karig rantsoen aan brood bij elkaar te scharrelen.1. De actieve bedelzanger. De term Partekenfresser (partekenvreter, Fresser, zoals in 'ijzervreter', een doorgewinterde partekenzanger) geeft dus aan dat hij zeer actief en fanatiek de deuren langsging. Beetje vreemd eigenlijk, omdat Luther uit een familie kwam die geld genoeg had. (zijn vader behoorde tot de hardwerkende, maar geslaagde middenklasse: hij was zelfs mijn-eigenaar). Toch klopt het wel, omdat het destijds voor scholieren als een vorm van oefening in nederigheid en tucht werd gezien om voor je brood te zingen. Ook J.S. Bach heeft het in zijn jonge jaren nog gedaan (Currende). In de Tischreden vertelt Luther de anekdote dat hij en zijn medescholieren doodsbang waren voor boze burgers. Hij herinnerde zich een incident waarbij een boer met een harde stem naar buiten kwam roepen: "Waar zijn jullie, jongens?" De scholieren renden weg, denkend dat ze klappen gingen krijgen, terwijl de man hen alleen maar worsten wilde geven. Luther gebruikt deze verhalen binnen het 'frame': Dat zelfs een "arme Partekenfresser" door Gods genade en hard studeren een doctor in de theologie kan worden. Tevens riep hij om om die arme scholieren ook goed te bejegenen: Veracht mij de arme knapen niet die voor de deuren zingen en hun brood zoeken om Gods wil; ik ben ook zo'n Partekenfresser geweest...  Nicolaus Herman slaat in 1560 precies dezelfde toon aan als Luther in 1532. Bijna letterlijk. Bewust? [terug]
BRONNEN:
1. Een gesprek uit 1532, opgetekend door Veit Dietrich: "Ich bin auch ein solcher Partekenfresser gewesen und habe das Brot vor den Häusern geholt, besonders zu Eisenach, in meiner lieben Stadt." Weimarer Ausgabe (WA), Tischreden, Band 2, Nr. 2310.
2. De
vermaning om arme scholieren niet te verachten staat in het commentaar op Psalm 147, ook uit 1532: "Darum verachtet mir die armen Gesellen nicht, die vor den Türen singen: 'Panem propter Deum' en die Parteken suchen; ich bin auch een solcher armer Schüler gewesen, der das Brot vor den Häusern geholt hat." in: Der 147. Psalm Lauda Jerusalem, Weimarer Ausgabe (WA), Band 31, Afdeling I, pagina 450.  [terug] 


VOETNOOT bij de schooltucht:
Lupus en carnifex komen beide voor als functies, rollen binnen de scholierenhiërarchie (Bacchanten, Schutsen). 'Lupus' in deze context zou de schoolwolf kunnen zijn, dat is de 'spion' van de rector/regenten (leraars). Zo was het streng verboden om de volkstaal (Duits, Nederlands, etc.) te spreken op school. Men moest Latijn spreken. De Lupus sloop rond en als hij iemand betrapte, riep hij Lupus in fabula en gaf de naam door (is dit wel waar?). Checken bij Platter. De Carnifex (Beul) was de uitvoerder van de straf. In de context van de school was dit vaak een oudere leerling of een 'monitor' die aangesteld was om lijfstraffen (de roede) uit te delen aan de jongere leerlingen. Een georganiseerd systeem van interne terreur en discipline, waarbij leerlingen tegen elkaar werden uitgespeeld. [terug]