← Antwerpse Polyglot

Estiennes kritische tekens

Asterisk, obelus en de andere merktekens in de Latijnse bijbels van Robert Estienne (1540 en 1557), met zijn eigen uitleg en die van Jean Benoît

1. De vraag

Robert Estienne voorziet zijn Latijnse bijbels van tekens: asterisk, obelus, verticale strepen en kleine verhoogde merktekens. Wat betekenen ze, en hoe zien ze eruit? Aanleiding is Plantijns gecorrigeerde exemplaar van de bijbel van 1557 (zie Plantijns gecensureerde Vatable-bijbel). De sleutel bleek niet in 1557 te staan, maar in de voorrede van Estiennes grote folio-Vulgaat van 1540.

Alle lezingen hieronder zijn gemaakt van foto’s van de originelen. Waar de lezing onzeker was en later door controle aan het origineel is bevestigd, staat dat erbij.

2. De bijbel van 1557: vier codes zonder asterisk of obelus

Getoetst aan Ps. 14 (Vg 13), de psalm met de bekende interpolatie uit Romeinen 3. Op die pagina staan geen asterisk en geen obelus, maar wel vier andere codes. Ze verdelen zich over drie lagen: de nieuwe vertaling (Pagnini, herzien), de annotaties (Vatable) en de Vulgaat.

Estienne 1557, Ps. 14 (Vg 13): links de nieuwe vertaling met cursief en verhoogde lemmatekens, in het midden het geïsoleerde interpolatieblok met verticale strepen, rechts de Vulgaat (Ps. 13).
Estienne 1557, Ps. 14 (Vg 13): links de nieuwe vertaling met cursief en verhoogde lemmatekens, in het midden het geïsoleerde interpolatieblok met verticale strepen, rechts de Vulgaat (Ps. 13).

Code 1. Cursief in de nieuwe vertaling: toegevoegd, niet in het Hebreeuws

Woorden die de Latijnse zin nodig heeft maar die geen eigen Hebreeuws equivalent hebben, staan cursief: uiam suā na corruperunt (Hebr. alleen הִשְׁחִיתוּ), quód comedūt, acsi comederēt panē, en het cursieve & in Iehouā nō inuocant.

Bevestigd door de annotaties: daar staat bij הִשְׁחִיתוּ deprauare solēt [sub. vias suas]. Rechte haken met sub. (subauditur) vullen in de noten aan wat het Hebreeuws onuitgesproken laat; de cursief in de vertaling is hetzelfde mechanisme. De noten geven soms aanvullingen die de vertaling níet overneemt ([sub. Deū esse, aut, me esse iudicē], [sub. quòd male agant]).

Code 2. De interpolatie staat apart, over de volle breedte

Sepulchrum patens … non est timor Dei ante oculos eorum hoort bij de Vulgaat, maar staat niet in de Vulgaat-kolom. Het is in een eigen blok tussen v. 3 en v. 4 gezet, in kleine letter. Hier werkt Estienne niet met een obelus maar met de opmaak: een Vulgaat-plus zonder Hebreeuws equivalent wordt typografisch geïsoleerd.

Code 3. Verticale streep | in de Vulgaat: begin van een tekst die elders geciteerd wordt

De streep markeert dus waar een citaat- of parallelplaats begint; de marge zegt welke. Dezelfde code komt in 1540 terug als dubbele streep ‖ (zie §4).

Code 4. Verhoogd merkteken in de vertaling: begin van een lemma in de annotaties

Het teken staat direct vóór het eerste woord van het lemma. Het is geen haakje dat opent en sluit: wat eerst een sluitteken leek (Non est Deus.ʼ, Deusʼin), is het openingsteken van de volgende noot. Elk teken heeft precies één noot:

Teken in de vertalingLemma in de annotaties
ʼVictori DauidisVictori לְמְנַצֵּחַ
ʼDixit stultusDixit אָמַר
Deus.ʼcorruperuntCorruperunt, &c.
ʼOmnes declinauerunt3 Omnes decl. &c.
ʼNonne cognouerunt4 Nonne cog. &c.
ʼIbi timent5 Ibi timēt tim.
Deusʼin generatione iustiIn gen. iusti
ʼConsilium pauperis6 Cōsilium pauperis pud. aff.

Bij v. 2 (Iehouáh è cælis) staat geen teken en is er ook geen noot. Het lemma wordt in de noten afgekort met &c., in het Hebreeuws met וגו'.

Estienne 1557, annotaties bij Ps. 14 (In psalmum XIIII): lemmata met &c. en וגו׳, aanvullingen tussen [sub. …].
Estienne 1557, annotaties bij Ps. 14 (In psalmum XIIII): lemmata met &c. en וגו׳, aanvullingen tussen [sub. …].

Verder in de annotaties

3. Estiennes eigen sleutel: de voorrede van 1540

De uitleg staat in de voorrede van de folio-Vulgaat van 1540 (eerst als 1538 opgegeven; het exemplaar is van 1540). De tekens staan in de sleutel als laatste twee posten, na de lijst van handschriften en edities.

Estienne 1540, slot van de voorrede: sleutel van de sigla, de tekens obelus en asterisk, en de dankbetuiging aan Guillaume Fabri.
Estienne 1540, slot van de voorrede: sleutel van de sigla, de tekens obelus en asterisk, en de dankbetuiging aan Guillaume Fabri.

Transcriptie (lange s als s; afkortingen niet opgelost) en vertaling:

— ❋

Imitati Origenem & Hieronymum, obelo, id est veru: & asterisco, id est stellula, vsi sumus. Obelus ostendit iugulandum esse & confodiendum quod neque in veteribus Latinis codicibus, neque in Hebræis aut Græcis libris authenticis inuenitur. Asteriscus verò in medium profert ex antiquis Latinis codicibus, & Hebraicis, ac Græcis quod in vulgata tralatione desyderatur.

 

In navolging van Origenes en Hiëronymus hebben wij een obelus (dat is: een spit, veru) en een asterisk (dat is: een sterretje, stellula) gebruikt. De obelus geeft aan dat moet worden doorgestoken en gedood (iugulandum … confodiendum) wat noch in de oude Latijnse handschriften, noch in de authentieke Hebreeuwse of Griekse boeken voorkomt. De asterisk brengt uit oude Latijnse handschriften en uit het Hebreeuwse en Griekse naar voren wat in de gangbare vertaling (vulgata tralatio) ontbreekt.

De laboris nostri ratione, schematibus Tabernaculi & Templi, notis veterū exemplariū, obelo & asterisco satis. Proinde tempestiuum & opportunum esse video vt te ex animo valere iubeam: quod tamen antè facturus non sum, quàm pro officio hominis grato animo præditi, agnouero beneficiū acceptū à Gulielmo Fabritio Canonico Pictauensi, amico & familiari nostro, viro Hebraicè, Græcè, & Latinè eruditissimo, qui in his Bibliis emēdandis, & locis cognatis annotandis candido & liberali studio me plurimum adiuuit. Vale nunc Christiane lector: & totum hunc nostrū laborem boni consule: vt publicæ vtilitatis me semper studiosiorem & amantiorem reddas.

Over de werkwijze van ons werk, de afbeeldingen van Tabernakel en Tempel, de sigla van de oude exemplaren, de obelus en de asterisk is dit genoeg. Het is dus tijd om u van harte vaarwel te zeggen. Dat zal ik echter niet doen voordat ik, zoals het een dankbaar mens past, de weldaad heb erkend die ik ontving van Guillaume Fabri (Gulielmus Fabritius), kanunnik van Poitiers, onze vriend en vertrouweling, zeer onderlegd in Hebreeuws, Grieks en Latijn, die mij bij het emenderen van deze bijbel en het annoteren van verwante plaatsen (locis cognatis annotandis) met oprechte en royale ijver zeer heeft geholpen. Vaarwel nu, christelijke lezer; neem dit hele werk van ons welwillend op, opdat u mij steeds ijveriger maakt voor het algemeen nut.

Vorm

De sigla in dezelfde sleutel

De sleutel begint met de verklaring dat Estienne de afkortingen uitlegt ne eorum obscuritas legendis nostris Bibliis nauseam tibi contrahat (“opdat hun duisterheid u het lezen van onze bijbel niet tegenmaakt”).

SiglumLatijnNederlands
Ge. o. l. p. au. ar.Hæc compendia significant S. Germani exemplar oblongum, latum, paruum, aureum, argenteum. Tot enim exemplaria suppeditarunt nobis cœnobitæ S. Germani, tantæ vetustatis vt multis in locis literæ oculos legentium fugerent. Illis autem exemplaribus differentiæ causa à forma ipsa corporis, indidimus nomina: vni oblongi, quòd chartis oblongis erat: alteri, lati: tertio, parui. Paruū illud intelligimus quod & exiguo corpore est, & literis scriptum minutioribus. quarto, aurei nomen imposuimus, quòd literis aureis scriptum sit. hoc exemplar Euangelia Matthæi & Marci continet, & præterea nihil. Quintum, argenteum appellauimus, quòd habeat Psalmos omnes argenteis literis, iisque fugientibus scriptos.Vijf handschriften van de monniken van Saint-Germain(-des-Prés), zo oud dat de letters op veel plaatsen nauwelijks leesbaar waren, genoemd naar hun vorm: oblongum (langwerpige bladen), latum (breed), paruum (klein formaat en kleine letter), aureum (in gouden letters; alleen de evangeliën van Matteüs en Marcus) en argenteum (alle psalmen, in zilveren, verbleekte letters).
Di. o. l.S. Dionysii oblongum & latum: quorum copiam nobis fecerunt sodales S. Dionysii. horum alterum, id est oblongum, Rex Carolus quintus cognomento Sapiens, mira diligentia scribi curauit ante annos ducentos. Non minore diligentia scriptum est & latum.Saint-Denis, oblongum en latum, ter beschikking gesteld door de monniken. Het oblongum liet koning Karel V de Wijze tweehonderd jaar geleden met grote zorg schrijven; het latum is even zorgvuldig geschreven.
V.S. Victoris cœnobitarum exemplaria scripta.Handschriften van de kanunniken van Saint-Victor.
P.Paruum exemplar, in quo Euangelistarum scripta tantum leguntur: quod amici nobis vtendum præbuerunt.Een klein exemplaar met alleen de evangeliën, door vrienden uitgeleend.
Compl.Complutensis, siue Hispana editio.De Complutensis, of Spaanse uitgave.
T.Taurinense exemplar, in quo aureis literis verba CHRISTI scripta erant.Het exemplaar uit Turijn, met de woorden van Christus in gouden letters.
S.Sorbonicum Correctorium. liber est quem à Sodalibus Sorbonicis commodato accepimus, in quo etiam antiquorum codicum non paucorum, variæ lectiones annotatæ sunt.Het Correctorium van de Sorbonne, door de Sorbonne uitgeleend, met varianten uit vele oude codices.
Au.Aureum exemplar, totum & auro conuestitum, & aureis literis descriptum, quo olim vsus est doctissimus Erasmus Roterodamus, beneficio Margaritæ Caroli Cæsaris amitæ.Een gouden exemplaar, geheel in goud gebonden en in gouden letters geschreven, dat Erasmus gebruikte dankzij Margaretha (van Oostenrijk), tante van keizer Karel.
Paul.Exemplar quod Iohannes Coletus, Paulinæ apud Londinum ecclesiæ decanus, exhibuit Erasmo, adeò priscis literarum typis, vt ei ab integro discenda esset legendi ratio, & in noscitandis elementis fuerit repuerascendum.Het exemplaar dat John Colet, deken van St Paul’s in Londen, aan Erasmus liet zien, in zo oud schrift dat hij opnieuw moest leren lezen en bij het herkennen van de letters weer kind moest worden.
Cor.Codex belle insignitus, quem commodauit Erasmo collegium Corsendonkense.Een fraai versierde codex, door het klooster van Korsendonk aan Erasmus uitgeleend.
Const.Constantiense exemplar, quod exhibuit ei Constantiense collegium.Het exemplaar uit Konstanz, dat het kapittel van Konstanz hem (Erasmus) toonde.
Do.Donatianum exemplar, quod illi Brugis exhibuit collegium diui Donatiani. Hæc duo postrema, ferè in omnibus consentiunt cū nostro Germanico lato.Het exemplaar van Sint-Donaas, door het kapittel van Sint-Donaas in Brugge aan hem (Erasmus) getoond. Deze laatste twee komen in bijna alles overeen met ons brede Saint-Germain-handschrift.
Su.Suessionense exemplar, quo tantum in Psalterio vsi sumus.Het exemplaar uit Soissons, alleen voor het psalter gebruikt.
B.Basiliensis editio, minutis characteribus impressa ante quadraginta annos.De Bazelse uitgave, veertig jaar geleden in kleine letter gedrukt.
M.Moguntinensis editio, excusa anno M. CCCC LXII.De Mainzer uitgave van 1462.

Opvallend: Au., Paul., Cor., Const. en Do. zijn handschriften die Erasmus gebruikte. Estienne kent ze kennelijk uit Erasmus’ eigen verantwoording.

4. De praktijk: Ps. 7–13 in 1540

Merkteken in de tekst, kritisch teken in de marge

Estienne 1540, opening met Ps. 7:10–13:4 (fol. 208v–209). Kritische tekens en sigla in de binnenmarges; ‖ en parallelplaatsen in de buitenmarges.
Estienne 1540, opening met Ps. 7:10–13:4 (fol. 208v–209). Kritische tekens en sigla in de binnenmarges; ‖ en parallelplaatsen in de buitenmarges.

In de lopende tekst staat een klein verhoogd teken (soms twee, die dan de omvang aangeven). In de marge staat het eigenlijke kritische teken, met de sigla van de getuigen. De markeringen hieronder zijn door controle aan het origineel bevestigd (asterisk bij 7:12 en 11:4, obelus bij 9:7, 9:21 en 10:8; in 10:8 en 11:4 staat het teken telkens bij &).

Ps. (Vg)Plaats in de tekstTekenMarge (sigla)HebreeuwsLXX
7:12Deus iudex iustus ˋ(&) fortis❋& (Vet. Di. o.וְאֵל: heeft “en”καὶ ἰσχυρός: heeft “en”
9:7ciuitates ˋeorumˊ destruxisti—Vet. Di. o. M. Ge. l.ontbreekt (וְעָרִים נָתַשְׁתָּ)ontbreekt (καὶ πόλεις καθεῖλες)
9:21super eos: ˋvt sciant—Vet. Di. o. Ge. l. V.ontbreekt (jussief יֵדְעוּ גוֹיִם)ontbreekt (γνώτωσαν)
10:8iustus Dominus ˋ& iustitias dilexit—Vet. Di. l. Ge. l.ontbreektheeft καί
11:4labia dolosa ˋ& linguam❋Vet. Di. o.ontbreektheeft καί

“Vet.” vóór de sigla staat vermoedelijk voor vet(eres codices). In 10:8 en 11:4 staat het & tussen twee merktekens (ˋ&ˊ). De marge-noot staat telkens iets hoger dan de regel waarop ze slaat.

Varianten zonder kritisch teken

Het merkteken in de tekst is hetzelfde. Wat het onderscheid maakt, is of er in de marge een teken vóór de lezing staat. Zonder teken is het een gewone variant, zonder oordeel.

De dubbele streep ‖: begin van een citaat- of parallelplaats

Dezelfde code als de enkele streep | in 1557 (§2, code 3).

Ps. 13 krijgt geen obelus

De Romeinen-interpolatie staat in 1540 gewoon in de tekst, alleen met ‖ en parallelplaatsen, zonder obelus in de marge. Hetzelfde geldt voor & psallam nomini Domini altissimi aan het slot van Ps. 12, een LXX-plus zonder Hebreeuws equivalent. Beide staan in de oude Latijnse psalterhandschriften en vallen dus buiten de obelus.

Overige lagen op de pagina

5. Wat bepaalt het teken?

Ps. 10:8 en 11:4 geven hetzelfde woordje & het tegenovergestelde teken, terwijl het Hebreeuws zich in beide gevallen gelijk gedraagt: het & ontbreekt. Twee lezingen van de regel zijn mogelijk.

Lezing B verklaart ook waarom Ps. 13 en het slot van Ps. 12 geen obelus krijgen. De verwijzing naar Origenes en Hiëronymus is dan vooral legitimatie: de praktijk van 1540 is Vulgaat-tekstkritiek op basis van Latijnse handschriften, met de grondtalen als medegetuige, niet als rechter.

De strikte formulering van de voorrede (neque … neque: dubbele afwezigheid) is in 10:8 maar half vervuld, want de LXX heeft het & wel. Dat is de spanning tussen regel en praktijk.

Toets om A en B te scheiden. Heeft elke asterisk in de marge Latijnse sigla? Een asterisk met alleen “Heb.” of “Graec.” en geen Latijnse getuige zou B weerleggen. Komt dat nergens voor, ook niet buiten de psalmen (Genesis, de profeten, waar het Gallicanum geen rol speelt), dan is B de conclusie.

Het contrast met 1557. In 1540 krijgt de Romeinen-interpolatie in Ps. 13 geen obelus, omdat de oude Latijnse codices haar hebben. In 1557 wordt diezelfde passage typografisch apart gezet, omdat zij tegenover het Hebreeuws een plus is. Dat is de verschuiving van een criterium dat op de oude Latijnse handschriften steunt naar het Hebreeuws als maatstaf.

6. Ter vergelijking: Jean Benoît (Ioannes Benedictus)

De Parijse Vulgaat van Jean Benoît wordt meestal 1541 gedateerd; het voorliggende exemplaar heeft 1540. Hij gebruikt dezelfde tekens, maar definieert ze anders.

De volledige voorrede aan de lezer, Latijn en vertaling:

Io. Benedictus Lectori salutem: Miror cur tanta scriptorum in tractandis, transcribendis sacris adeo scriptis diuinis hactenus fuerit incuria, ut tot reperiantur exemplaria quot codices. Quibus si non breui occurratur, rediens tandem Hieronymus, et quisque optimus interpretes, quae nobis integra tersaque reliquerunt, negabunt esse sua.

Jean Benoît groet de lezer. Het verbaast mij dat tot nu toe bij het behandelen en afschrijven van de heilige, zozeer goddelijke geschriften zo’n grote nalatigheid (incuria) heeft geheerst, dat er evenveel tekstvormen zijn als codices (tot … exemplaria quot codices). Als men daar niet spoedig iets tegen doet, zullen Hiëronymus, als hij terugkwam, en elk van de beste vertalers ontkennen dat wat zij ons ongeschonden en zuiver hebben nagelaten, van hen is.

Huic autem morbo utcunque mederi volentes, quos potuissimus vetustissimos et scriptos manu et impressos inter se codices, et illos tandem cum Hebraeis Graecisque contulimus, ut veriorem aeditionis nostrae sensum integritati suae restitueremus.

Omdat wij deze ziekte op enigerlei wijze wilden genezen, hebben wij de oudste codices die wij konden krijgen, zowel handschriften als drukken, onderling vergeleken (inter se … contulimus), en ten slotte met de Hebreeuwse en Griekse, om de ware zin van onze uitgave in zijn ongeschonden staat te herstellen.

Nec tamen tantum vetustati tribuimus, quin ecclesiae usum et qui passim legitur et cantatur in templis textum pro captu reformaremus.

Toch hebben wij niet zoveel aan de ouderdom toegekend, dat wij niet het kerkelijk gebruik en de tekst die overal gelezen en in de kerken gezongen wordt, naar vermogen reformaremus. [Zie de bespreking hieronder.]

Collatis igitur Latinis codicibus cum Hebraeis qui nobis ex Hebraeo canone traduntur, atque cum Graecis, qui tantum Graece leguntur, differentias quibus antea Hieronymus annotauimus, asterisco * inquam, in quibus Latina à peregrina deficit aeditio; obelo > in quibus abundat: et numeris 1. 2. 3. etc. in quibus illa dissidet: scholiis vero doctorum super difficilimis locis, alphabeticis literis a. b. c. d. etc.

Nadat wij dus de Latijnse codices vergeleken hadden met de Hebreeuwse, zoals die ons uit de Hebreeuwse canon zijn overgeleverd, en met de Griekse (voor de boeken die alleen in het Grieks gelezen worden), hebben wij de verschillen aangegeven met de tekens waarmee eerder Hiëronymus dat deed: met een asterisk *, zeg ik, waar de Latijnse uitgave tekortschiet tegenover de vreemde (a peregrina deficit); met een obelus > waar zij een overschot heeft (abundat); en met cijfers 1, 2, 3 enz. waar zij afwijkt (dissidet). De opvattingen (scholia) van geleerden over de moeilijkste plaatsen geven wij aan met letters a, b, c, d enz.

Annos praeterea a mundo creato et ante Christum natum ex textu selectos cuilibet historiae adiecimus. Consonantias rursum Iosephi, Ios. 2. 4., hoc est Iosephus secundo libro, cap. 4, decretorum et decretalium caeterorumque textus locorum, adiecto cuique capiti summario in studiosorum magnum subleuamen annexuimus.

Verder hebben wij bij elke geschiedenis de jaren sinds de schepping en vóór de geboorte van Christus gevoegd, uit de tekst afgeleid. Ook hebben wij de overeenstemmende plaatsen (consonantias) uit Josephus (“Ios. 2. 4.”, dat is Josephus boek 2, hoofdstuk 4), uit de decreten en decretalen en andere plaatsen van de tekst toegevoegd, met bij elk hoofdstuk een samenvatting, als grote hulp voor de lezers.

Latijnse tekst naar de transcriptie in een moderne publicatie (nr. 44, p. 30; bron nog te noteren), niet naar het origineel. Spelling zoals daar; potuissimus zo gegeven.

Estienne 1540Benedictus
Maatstafoude Latijnse codices, met Hebreeuws/Grieks als medegetuigede peregrina aeditio: Hebreeuws, en Grieks alleen voor de boeken die alleen in het Grieks bestaan
Obeluswat noch in oude codices, noch in de grondtekst staat; vorm —wat het Latijn méér heeft dan de grondtekst; vorm >
Asteriskwat oude codices en de grondtekst hebben en de gangbare tekst mist; vorm ❋wat het Latijn mist tegenover de grondtekst; vorm *
Andere afwijkingenvarianten in de marge met siglacijfers 1, 2, 3
Scholia(annotaties)letters a, b, c, d

Een zin die om nadere lezing vraagt

Nec tamen tantum vetustati tribuimus, quin ecclesiae usum et qui passim legitur et cantatur in templis textum pro captu reformaremus.

Grammaticaal zijn ecclesiae usum en textum (met de bijzin qui passim legitur et cantatur in templis) twee lijdende voorwerpen van reformaremus. Twee lezingen zijn mogelijk:

In de context, tussen “de ziekte genezen” en de vergelijking met Hebreeuws en Grieks, ligt de eerste lezing het meest voor de hand. Nog niet beslist.

7. Samenvatting

Beide markeren een plus, maar tegenover iets anders: de asterisk tegenover de gedrukte Vulgaat, de obelus tegenover de bronnen. Estienne schrapt niet: het geobeliseerde woord blijft in de tekst staan (eorum, vt, &). Het teken is een oordeel voor de lezer, geen ingreep in de tekst.

8. Open vragen

9. Bronnen