De rozen van Ausonius

 

• De rosis nascentibus •

• Up •

 


 

 

 

 

 

Hieronder het ooit wereldberoemde gedicht over de Rozen dat over het algemeen wordt toegeschreven aan Ausonius (4e eeuw).  De 'vana rosa' thematiek (de roos, hoe schoon ook, vergaat zeer snel) is hier inderdaad heel mooi uitgewerkt.
 

Naast het origineel treft u twee Nederlandse vertalingen, van

resp. Willem Bilderdijk en Karel D'huyvetters. Er zitten bijna 2 eeuwen tussen deze beide vertalingen. Interessant.

 

 

Verder: Vertalingen in het Engels en Frans

Een korte biografie van Ausonius

Over Homerus, Aurora en de roze-vingerige dageraad.

Over de roos in de klassieke oudheid (Frans-NL)

Een bloemlezing van gedichten geïnspireerd door Ausionius'gedicht.

Paestum (Z-Italië) is 6 eeuwen voor Christus gesticht als Grieks kolonie, al snel beroemd voor z'n Griekse tempels en later z'n rozenkwekerijen.

 

 

 

 

De Paestum roos waar Ausonius naar verwijst zou ergens in de 18e eeuw zijn uitgestorven. IN rozen zoals de ‘Autumn Damask’ zou nog genetische materiaal kunnen zitten.

[De Rosis Nascentibus]

 

laatste kritische editie van de Latijnse tekst:
Ausonii Opera
, ed. R. P. H. Green (1999) [Oxford Classical Texts], Appendix A II (p. 262).

Green wil het gedicht als authentiek (= van Ausonius) accepteren, op grond van "internal evidence". De feiten en een terughoudender (ouder) standpunt vindt u hier (Spectator, 1904).

De Rozen

 

De dichtwerken van Bilderdijk. Deel XIII. (ed. A.C. Kruseman, Haarlem 1859), p. 229-230
 

Eerste publicatie in W. Bilderdijk en K.W. Bilderdijk, Nieuwe Dichtschakeering (deel I - Rotterdam, 1819), p. 163-165.
 

A rose is a rose is a rose...

 

Vertaling (omzetting) van de hand van Karel D’huyvetters, met toestemming overgenomen van zijn blog

 

 

Ver erat et blando mordentia frigora sensu
   spirabat croceo mane revecta dies.
strictior Eoos praecesserat aura iugales,
   aestiferum suadens anticipare diem.
errabam riguis per quadrua compita in hortis,
   maturo cupiens me vegetare die.
vidi concretas per gramina flexa pruinas
   pendere aut holerum stare cacuminibus,
caulibus et patulis teretes conludere guttas

   ... et caelestis aquae pondere tunc gravidas.  [line in old editons]]
vidi Paestano gaudere rosaria cultu
   exoriente novo roscida Lucifero.

rara pruinosis canebat gemma frutectis
   ad primi radios interitura die.

 

 

 

 

5

 

 

 

 

10

't Was Lente, een frissche kou, verkwiklijk aan de leden,
   Doortrok de morgenlucht by 't gloren van de kim!
Een labbring [=zwak briesje] uit het West, den uchtend voorgetreden,
   Trok elk te veldewaart voor 't stekend zon-geglim.
'k Zocht dwalende in den hof, langs de afgezette paden,
   Verversching van 't gepeins der doorgewaakte nacht:
Daar zag ik 't buigend gras, daar stengels, scheut, en bladen,
   Met zijplend pegelvocht en zilvren rijp bevracht!
Ik zag langs steel en knop de heldre druppels hangen,
   Zich paarlende uit het ijs dat wegsmolt voor het licht;
En heel de rozengaard met karmozijn bevangen,
   Terwijl 't gepurperd Oost my toeblonk in 't gezicht.
De vloeibre diamant verdween van voor mijne oogen,
   En 't blozen nam de plaats van d'eerst zoo blanken dosch;
 

Het was lente en de klare dag herboren in de krokusrode morgen verjoeg met aangenaam gevoel de bijtende kou.
Voor het aanbreken van de dag was het weer al te streng geweest voorbode van de warmte van de dag.
Ik slenterde door de besproeide tuinen over de haakse paden, begerig naar het genot van het volle daglicht.
Hier hing de rijp gestold aan de gebogen grashalmen en prijkte op de kronen van de groenten, daar speelden ovale druppels op de brede koolblaren. Hier vergenoegden zich bedauwde rozenperken zoals men die vindt in Paestum in de opkomst van een nieuwe dageraad.
Daar glansde her en der een parel op de berijpte struiken die verdween bij het eerste gloren van de dag.

 ambigeres raperetne rosis Aurora ruborem
   an daret et flores tingeret orta dies.
ros unus, color unus, et unum mane duorum:
   sideris et floris nam domina una Venus.
forsan et unus odor: sed celsior ille per auras
   difflatur, spirat proximus iste magis.
communis Paphie dea sideris et dea floris
   praecipit unius muricis esse habitum.
 

15

 

 

 

 

20

Ik twijfelde of Auroor, ter hemeltrans getogen,
   Het roosjen plonderde of verrijkte met dien blos.
Één daauw, één verf, één uur, vereenigt hier die beiden:
   Één zelfde Godheid heerscht op roos en morgenster:
't Is één verkwikkinggeur die ster en bloem verspreiden;
   Het roosjen van naby, de morgenstar van verr'.

 

Was het nu de dageraad die uit de rozen zijn roze tint putte of verleende het rijzende daglicht hen die en zo hun kleur. De dauw is eender en de kleur de morgen maakt ze gelijk want Venus is de ene Godin van de Morgenster en de roos.
Wellicht is ook hun geur eender maar de ene waait uiteen hoog in de lucht terwijl dichterbij de andere heviger is. De godin van Paphos heersend over ster en bloem tezamen verleent aan beide een zelfde purperen pracht.

momentum intererat quo se nascentia florum
   germina comparibus dividerent spatiis.
haec viret angusto foliorum tecta galero,
   hanc tenui filo purpura rubra notat,
haec aperit primi fastigia celsa obelisci,
   mucronem absolvens purpurei capitis.
vertice collectos illa exinuabat amictus,
   iam meditans foliis se numerare suis.
nec mora: ridentis calathi patefecit honorem,
   prodens inclusi stamina densa croci.
haec, modo quae toto rutilaverat igne comarum,
   pallida conlapsis deseritur foliis.
mirabar celerem fugitiva aetate rapinam,
   et dum nascuntur consenuisse rosas.
ecce et defluxit rutili coma punica floris
   dum loquor, et tellus tecta rubore micat.
tot species tantosque ortus variosque novatus
   una dies aperit, conficit ipsa dies.

 

 

25

 

 

 

 

30

 

 

 

 

35

 

 

 

 

40

Een nietig onderscheid van weinige oogenblikken
   Verdeelde, ginds en hier, de teedre rozenspruit.

Die - schijnt, om 't hoofd verhuld, in de engen kelk te stikken:
   Dees - steekt een purpren spits d'omplooiden sluier uit.
Die - tracht door d'eersten reet van 't windsel heen te boren,
   En loert de voegsels door van 't haar omkleedend groen;
Dees - strikt heur zwachtels los met ijverzuchtig gloren,
   Gereed om heel den schat haars boezems op te doen:
Daar opent ze, en verraadt met zelfbehagend pralen

   Het goudglansflonkrend zaad, besloten in heur schoot;
En naauwlijks spreidt zy 't uit voor wind en zonnestralen,
   Of zinkt verstervend weg, van kleur en blad ontbloot.
'k Ontzette' op 't snel verloop, van bloeien tot verbleeken,
   Geboorte en ouderdom, zoo dicht aan één gepaard!
En ach! terwijl ik 't woord mistroostig uit wil spreken,
   Stort weêr eene andre bloem in bladers over de aard.
Geboorte, schoonheid, glans, op eens in 't slijk begraven!
   Ontloken en verwelkt in minder dan een uur!
 

Toen brak het ogenblik aan waarop de ontluikende bloemknoppen zich ontplooiden in eendere blaadjes.
Hier is er een groen gedekt met een nauwsluitende blarenhoed daar toont een andere haar purperrood
met een aller-fijnst streepje.

Hier opent er een de verheven kroon van haar fraaie obelisk en bevrijdt de tip van haar purperen knop. Een andere ontknoopt bovenaan haar samengesnoerde kleed reeds bedacht om zich te sieren met zijn blaadjes.
Zonder aarzelen nu spreidt ze open de glorie van haar glimlachende kelk en laat de opeengepakte meeldraden zien van haar purperen binnenste.
Een andere heeft nog maar net haar hoofd in volle vurige gloed gekleurd verbleekt nu verlaten door haar verlepte blaadjes.
Ik verbaasde me over de snelle roof en dit vluchtige seizoen waarin rozen wijl ze ontluiken al helemaal verwelken.
Zie hoe de rode manen van een purperen bloem afvallen terwijl ik spreek en de aarde fonkelt donkerrood bedekt.
Al de levensvormen, al de nieuwgeboren brengt één dag voort en vernietigt dezelfde dag.

conquerimur, Natura, brevis quod gratia florum:
   ostentata oculis ilico dona rapis.
quam longa una dies, aetas tam longa rosarum,
   quas pubescentes iuncta senecta premit.
quam modo nascentem rutilus conspexit Eoos,
   hanc rediens sero vespere vidit anum.
sed bene quod paucis licet interitura diebus
   succedens aevum prorogat ipsa suum.
collige, virgo, rosas dum flos novus et nova pubes,
   et memor esto aevum sic properare tuum.

 

 

 

 

45

 

 

 

 

50

Dit treft ons! Maar helaas! Zoo vluchtig zijn uw gaven,
Gy toont slechts wat ge ons schenkt, en geeft het niet, Natuur.
Één dag is 't levensperk der snelverbloeide rozen,
Die de ouderdom verrast in 't prilste van heur tijd:
Één daglicht zag ze in knop by 't vroege morgenblozen,
En vond ze 's avonds weêr, den bloei en 't leven kwijt.
Maar schoon is 't, wie zoo dra zijn perk ten eind moet spoeien,
Dat die zijn leven zelf, schoon sterflijk, overplant.
Pluk roosjens, lieve Maagd, als jeugd en bloemtjen bloeien,
En acht uw eigen jeugd aan 's bloemtjens bloei verwant!
 

 

Na AUSONIUS.
1818.
 

Betreurenswaardige Natuur die de bloemen slechts kort genadig is. Wat je aan geschenken voor onze ogen tovert ontruk je ons meteen. Zolang als één dag zo lang is het leven van een roos.In hun jeugd belaagt de oude dag hen al. Wat de rode dageraad aanschouwde bij het prille ontluikenziet hij bij zijn terugkeer aan het einde van de dag oud en afgeleefd.
Maar zo hoort het: hoewel ze in weinige dagen ten onder gaat verlengt de roos haar leven en volgt zo zichzelf op.
Komaan dan, meid, pluk de rozen terwijl de bloem jong is en jeugdig je kracht: denk eraan dat je leven zo voorbij is.

 

• Als godin van de dageraad rees E • Ausonius Toulouse • Gryphius Rose • The Spectator • De rosis nascentibus • La Rose- histoire •