Hagepreken

   

Home
Up
Wat is protestantisme ?
profiel van protestant
Oecumene
Ambt herdacht
1 juli 1523
Max Weber
Wie was Calvijn?
450 jaar geleden
hugenoten
Hagepreken
reformatie vogelvlucht
Luther over de aflaat
die vreemde Luther ?
Zwingli uit de kunst

De hagepreken, een revolutie

 

Toen Maarten Luther in Wittenberg op de 31e oktober 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaatpubliceerde, kwam de eenheid van de Rooms-katholieke kerk (en het heilige Roomse Rijk van de Habsburgers onder grote druk te staan. Enkele jaren later begon deze eenheid te barsten. Ook tot in Antwerpen liepen de breuklijnen door. De Duitsers van de Hanze (de eerste multi-nationale handelsonderneming) en wat later ook allerlei kooplieden uit Zuid-Duitsland die in de metropool handel dreven, brachten hun overtuiging mee naar Antwerpen en hielden er hun mond niet over. Bovendien vonden zij al spoedig een geestelijke steunpunt in het Augustijner klooster van Antwerpen, dat tot dezelfde congregatie behoorde als het klooster van Luther in Wittenberg. Via de 'interne' kloosterpost werden nieuwe ideeën en gedachten razendsnel gecommuniceerd. De Augustijner monniken waren zeer onder de indruk van Luthers protest tegen de mistoestanden in de Roomse kerk en preekten begin jaren '20 in hun kapel openlijk tegen de aflaat en andere voor het heil schadelijke zaken. De twee eerste martelaren van de reformatie stammen uit dit klooster (Hendrik Voes en Johan van Esschen, 1 juli 1523 op de markt van Brussel verbrand). Het klooster werd op last van keizer Karel V opgeheven, ontmanteld en afgebroken als een oord van verderf. Alleen de nog recent (vanwege de enorme publieke belangstelling voor de preken) uitgebreide kapel werd gespaard en later parochiekerk van het toen sterk uitbreidende stadkwartier: St. Andries (De kerk is te bezichtigen). Dat ook de inmiddels op punt gestelde boekdrukkunst een stevig 'steentje' bijdroeg aan de snelle verspreiding van de reformatie, spreekt voor zich.

In de St.Andrieskerk werd een klein, maar terzake, plakkaat opgehangen, waar dit verhaal wordt verteld, en waar de beide broeders als 'geloofsgetuigen' worden herdacht, niet meer als ketters, een mémorial. In 2006 vond er een symposium plaats over ‘de eerste martelaren van de reformatie’. Het geheel werd bekroond met een concert, ingericht door de vzw. St. Andries rond ‘Luther en de muziek’, waar een ad-hoc muziekgezelschap ook Luther's  'ballade van de martelaren te Antwerpen' ten gehore bracht. Zie hier de tekst van die ballade, het programma van dat concert en de tekst die toen werd uitgesproken.

Maar, waar het Lutheranisme verschijnt, daar is zijn jongere broer nooit ver weg: het anabaptisme, de wederdopers. De broedertwist is hoog opgelopen en voor de reformatie goed en wel zijn weg gevonden had, was het zelf ook al hartgrondig verscheurd. De revolutionaire tonen, die de wederdopers aansloegen, (niet alleen tegen de kinderdoop, maar vooral ook op politiek terrein) waren een gruwel in de ogen van katholieken èn Lutheranen. Bij hun 'betogingen' riepen ze om twee dingen: 'om der papen bloed en der burgeren goed'. Hun aanhang was groot onder de armste lagen der bevolking en aangezien de macht in Antwerpen ook toen al samenspande met het kapitaal, richtte zich de ketter-vervolging vooral tegen deze wederdopers. De Lutheranen, die gehoorzaamheid hoog in het vaandel hadden staan en die welstellend en van economisch belang waren voor de scheldestad, werden bij de kettervervolginen vrijwel ongemoeid gelaten. Voor 1566 werden slechts 4 à 5 Lutheranen ter dood gebracht, terwijl in de korte tijdsspanne van 1558 - 1566 mar liefst 73 wederdopers gedood werden.

Men krijgt, zo schrijft Van Roey, de stellige indruk dat, als er vanuit Brussel werd aangedrongen op een strengere naleving van ketterplakkaten en dus vervolging van de ketters, de Antwerpse stedelijke overheid snel wat anabaptisten liet oppakken veroordelen tot de brandstapel of verdrinking of levend begraven worden. (u mag kiezen). Dezelfde beschermende hand, die het stadsbestuur hield boven het hoofd van de Lutheranen, hield het stadsbestuur ook boven het hoofd van de -voor de inquisitie uitgeweken- Spaanse of Portugese Joden. De verdraagzaamheid van Antwerpen is dus een selectieve verdraagzaamheid 'omwille van de smeer', een praktische tolerantie en gastvrijheid ten opzichte van 'economisch waardevolle elementen'. Wie zei ook al weer dat er niets nieuws onder de zon was?

Deze periode (van relatieve tolerantie) duurt tot Karel (een echte Bourgondische Zuidnederlander) afstand doet en Filips (een echte Spanjaard) koning wordt (1555). Terzelfdertijd wordt vanuit Frankrijk de invloed van het calvinisme groter en groter en alras overvleugelen de calvinisten de lutheranen. Opnieuw vooral succesrijk in koopmanskringen, maar in tegenstelling tot het Lutheranisme óók bij de arbeiders, de middenstand en de lagere adel, een gevolgenrijke combinatie. Zij waren strijdbaar en hielden er ook duidelijk politieke ideeën op na: een overheid mag/moet op Gods woord worden aangesproken (vandaar de vele confessies met als adres: de overheid) en wanneer zij faalt ten opzichte van de eisen van Gods woord, mag de overheid bestreden worden.

Iets wat conform deze richtlijnen ook gaat gebeuren (vanaf 1568, begin 80-jarige oorlog). In Antwerpen gist het onderwijl op alle fronten. Filips had politieke en kerkelijke reorganisatieplannen, waardoor enerzijds de rol van de adel in de regering van de Nederlanden werd teruggedrongen en anderzijds Antwerpen een bisschopszetel zou krijgen. Beide ideeën waren niet naar de zin van de stadsregering. De hoge adel protesteerde met succes: Granvelle (de man die over de edelen zie: Het zijn maar 'geuzen' (des gueux = bedelaars) moest vertrekken en Margaretha van Parma, halfzuster van de koning kwam naar Brussel als landvoogdes. De bisschop werd zo lang mogelijk buiten de stad gehouden (de eerste benoemde bisschop van Antwerpen, Filips Nigri is zelf nooit gewijd geraakt).

Dat hier zowel bij kerk als staat een financiële motivatie de hoofdrol speelde (vrijheid van handel, in eigen beheer houden van opbrengsten uit kerkelijke goederen etc...), moeten we niet vergeten. De calvinisten in Antwerpen voelden zich in een 'winning mood' en uitten hoe langer hoe duidelijker hun ontevredenheid met het feit, dat zij hun bijeenomsten nog steeds in het geheim moesten houden. Het feit dat Margaretha van Parma op verzoek (request) van de adel de ketterplakkaten wel niet letterlijk matigde, maar toch in hun toepassing toegeeflijker werd, wekte de appetijt op van de calvinisten.

De doordrijvers onder hen nemen het voortouw en sturen aan op een openlijke strijd tegen de 'paapschen' om Antwerpen tot een protestantse stad te maken. In plaats van geheime bijeenkomsten buiten de vestingen, worden er nu publieke bijeenkomsten gehouden, nog wel buiten de stad, maar niet meer in het verborgene. Er wordt gepreekt, er worden psalmen en gezangen gezongen, zo luid dat men het a.h.w. tot in Brussel moest horen. De calvinisten lieten zich niet meer ontkennen of kleineren. Deze hagepreken konden zich in een grote belangstelling verheugen, ook al was het bijwonen ervan toch niet geheel ongevaarlijk, getuige het feit dat de bijeenkomsten werden bewaakt door eigen gewapende ordehandhavers.

 

Een goede indruk van zo'n hagepreek krijgt men van de bekende gravure van Frans Hogenberg uit Mechelen (hier afgebeeld met toestemming van het Stedelijk Prentenkabinet Antwerpen). Het schetst een hagepreek ten Zuiden van Antwerpen op het Kiel. Bovenaan bij de Schelde-oever staat een groepje mensen te luisteren naar een predikant, die vlakbij een kerkje staat te preken. Volgens het bijschrift op de muur zijn hier de 'confessi'samen. Dit is een aanduiding voor de Lutheranen, die sinds 1555 verenigd zijn in de Augsburgse confessie, ook wel Martinisten genoemd.. Dat er voor het kerkje op het Kiel gepreekt wordt, kan historisch verklaard worden omdat de pastoor van 't Kiel (Cornelis Huberti) al vroeg sympathiseerde met Luther en ook zijn opvolger Hendrik Mathys duidelijk protestantse predikaties hield.

Op de prent zijn nog twee andere groepen duidelijk te onderscheiden en ook duidelijk van elkaar gescheiden: Linksonder, onder de bomen staan een aantal mensen te luisteren naar een predikant. Het bijschrift (bij de prent) identificeert deze groep als de 'Walsche', d.w.z. de franssprekende calvinisten. De franse gemeenschap in Antwerpen was toen groot en is naar het rampjaar 1585 toe alleen maar gegroeid: Voor de oprukkende troepen van Alva en later Farnese uit vluchten de Walen (en de uit Frankrijk uitgeweken hugenoten) naar de grote steden van het Noorden, bolwerken van calvinisme en de grootste onder deze was Antwerpen. Vooral uit Henegouwen en Doornik kwamen er velen. Trouwens: dhr. Christophe Plantin is geboortig van Poitiers.

Tenslotte de laatste groep: Op de prent zelf worden zij geïdentificeerd als de 'Calvinsche', de Nederlandstalige calvinisten. Een diepe (communitaire) kloof scheidt hen van hun 'Walsche' broeders. Vooral hier vallen de gewapende wachten op. De verhouding in 1566 (en eigenlijk tot in 1585, val van Antwerpen) tussen Lutheranen en Calvinisten was volgens Van Roey ongeveer éénderde tegen tweederde. De historische betrouwbaarheid van de prenten van Hogenberg, die wij een 'beeldjournalist' zouden kunnen noemen, wordt over het algemeen hoog aangeslagen. Een klein détail van deze prent moge dat bewijzen: Er staan twee galgen op het Galgeweel.

Tenslotte, voorzover geweten, werden er overal buiten Antwerpen (en de andere steden) hagepreken gehouden vanaf half juni 1566. Naast het Kiel is het zeker dat ook op het Laar (Borgerhout) en in en rond het Berchembos zulke bijeenkomsten geregeld plaatsvonden. Naast een religieuze doelstelling (opbouw, onderricht en stichting der gemeente) hadden zij ook een propandistische, politieke strekking. De Calvinisten (en de Luthersen volgens deze prent evenzeer) eisten erkenning van hun bestaan en hun recht op vrije godsdienst(uit)oefening. Geïnformeerd door haar spionnen en correspondenten ter plaatse hoorde de landvoogdes van het succes van de hagepreken en zij vreesde voor escalatie. Escalatie betekende onrust en onrust en was en is niet goed voor de handel. Zij stuurde, geadviseerd door bepaalde koopmanskringen en het stadsbestuur, een lid van de Raad van State naar Antwerpen om poolshoogte te nemen en vervolgens op een zo diplomatiek mogelijke wijze orde op zaken te stellen. Zo komt het, dat op 13 juli 1566 te Antwerpen arriveert: Willem van Nassau, prins van Oranje en burggraaf van Antwerpen.

Het lukt hem niet om de calvinisten te overtuigen dat zij zich beter koest zouden houden, zij ruiken daarentegen hun kans. De zaak escaleert. De hagepreken worden steeds openlijker, a.h.w. onder de neus van de magistraten georganiseerd. De gewapende lieden die de hagepreken zogezegd bewaakten werden talrijker en traden steeds driester op. De tijd was nabij, dat zij niet meer in de hand gehouden zouden kunnen worden. Op 20 augustus gebeurt het onvermijdelijke. De traditionele ommegang van de Heilige Maagd, patrones van de stad, waar trouwens Willem van Oranje nog keurig mee was opgestapt, was achter de rug, de feesten voorbij. Willem was weer teruggekeerd naar Brussel: De menigte, hierin opgezweept door enige 'diehards' onder de predikant, bestormen de kerkgebouwen en maken ze klaar voor de protestantse eredienst: de beeldenstorm, begonnen in het Zuiden op 15 augustus, heeft Antwerpen in haar ban.

Als ze dan geen kerkgebouwen krijgen van de overheid, dan nemen ze ze maar. (De laatste studies op dit terrein van dr. Guido Marnef suggereren sterk dat de kerkeraad van Antwerpen welbewust op een 'keurig nette beeldenstorm' heeft aangestuurd ten einde de kerkgebouwen zelf te kunnen gebruiken). Het plan -voorzover dit er al was- lukt niet, de kerken moeten na de storm aan de katholieken teruggegeven worden, maar wèl kwam de toestemming om ook binnen de stad predikaties te houden. De hierboven al genoemde pastoor Mathys van het Kiel krijgt het voor elkaar, gebruik makend van de verwarring waarschijnlijk (was hij nou pastoor of Luthers, hoe was 't ook al weer?), om te preken in de St-Joriskerk binnen Antwerpen. Elders in de stad beginnen de protestanten eigen kerken te bouwen. De éne op de Wapper (bij het Rubenshuis) werd een Waalse ronde kerk, de andere, vlak daarbij op de Mollekensrame aan het Hopland, werd een lange 'Duytsche' (=Nederlandstalige) kerk. Verder verschijnen er gebouwen aan de Oudaan en de Reigersgang bij de Rode Poort aan de Paardenmarkt (beide: Luthers). De tijd van de hagepreken was voorbij. Ze was kort geweest, maar krachtig.

D. Wursten

 

bronnen:

  • J. Van Roey, De val van Antwerpen, 17 augustus 1585 - voor en na, uitg. de dageraad Antwerpen, 1985 (antiquarisch nog verkrijgbaar)
  • A.K.L. Thijs: Van geuzenstad tot katholiek bolwerk,Antwerpen en de contrareformatie, Brepols 1990

 

 

 

 

 

 

 

This site was last updated
 February, 2017