Zwingli uit de kunst

   

Home
Up
Wat is protestantisme ?
profiel van protestant
Oecumene
Ambt herdacht
1 juli 1523
Max Weber
Wie was Calvijn?
450 jaar geleden
hugenoten
Hagepreken
reformatie vogelvlucht
Luther over de aflaat
die vreemde Luther ?
Zwingli uit de kunst

 

Huldrych Zwingli en de kunst (1484-1531)

 

Deze Zwitserse evenknie van Martin Luther belichaamt de paradox van de reformatie wat de kunst betreft. Artistiek was hij de meest begaafde van allemaal (naar men zegt bespeelde hij 12 muziekinstrumenten). Ook zijn universitaire studies verliepen voorspoedig. Hij leek voorbestemd om één van de grote humanistische geleerden/kunstenaars van zijn tijd te worden: een ‘homo universalis’.

Theologische interesse en een heftig temperament kwamen roet in het eten gooien. Hij werd pastoor in Glarus (1506). Vandaaruit bemoeide hij zich echter wel met alles, van de ‘schone letteren’ tot de politiek (Hij schreef o.a. enkele satirische strijdgedichten tegen Zwitserse francofielen en trok op veldtocht met de paus in verband met het ronselen van de soldaten voor de ‘Zwitserse wacht’). In 1516 trok hij zich terug in een Mariaklooster bij Einsiedeln. Daar ontwikkelde hij een enorme weerzin tegen heiligen­verering (“Puppenspil”) en werd onder invloed van Erasmus pacifist. Hij bestudeerde de bijbel, preekte veel, las kerkvaders en klassieken naast en door elkaar (alles in de grondtalen natuurlijk). Zijn opvattingen werden steeds radicaler en na zijn aanstelling in Zürich als ‘Leutpriester’ (=predikant) verliet hij het Erasmiaanse pad van de geleidelijke kerkhervorming en koos voor de confrontatie. Vanaf 1522 begon hij met een stapsgewijze zuivering van de kerkelijk eredienst op grond van de Heilige Schrift, culminerend in het afschaffen van de ‘mis’ in 1525 gevolgd door een viering van het laatste avondmaal onder beide gedaanten met eenvoudig houten tafelgerei.

Omdat Zwingli er erg geestelijke (bijna spiritualistische) opvattingen op nahield omtrent de ware godsdienst was alles wat de ‘zinnen’ prikkelde taboe voor kerkelijke samenkomsten: dat zou alleen maar afleiden van de ware devotie. Zwingli zit hier duidelijk op het spoor van Augustinus (die op zijn beurt Plato echoot), die ruim een millennium eerder met hetzelfde probleem worstelde, maar het in tegenstelling tot Zwingli niet over zijn hart kon krijgen om dáárom alle kunst uit de kerk te bannen; Zwingli dus wel: hij is consequent, ook als het in eigen vlees snijdt: en daar ging de polyfonie, daar gingen de orgels, ja daar ging zelfs de gemeentezang.

[Tussen haakjes: dat het wel tot een breuk tussen Zwingli en Luther mòest komen is duidelijk voor iedereen die iets van Luthers hoge, ook theologische, waardering voor het zintuiglijke leven, de kunst (en m.n. de muziek) afweet !]

Onderwijl bleef Zwingli’s huis in Zürich een trefpunt van muziek en poëzie, ja, voor die huiselijke bijeenkomsten schreef hij liederen en componeerde hij melodieën... , waarvan er later - o ironie ! - zelfs sommige in officiële Zwitsers gezangboeken terechtkomen. Zo bijv. zijn lied 'Herr, nun heb den Wagen selbst"... ,bijv. opgenomen in dat 'Neue Gesangbüchlein' notabene gedrukt in Zürich!, zie afbeelding). Dit gezangboek wordt vervolgens in veel protestantse kerken van Zwitserland duchtig gebruikt... tijdens de eredienst.

 

Zwingli’s lied werkt niet met het beeld van ‘het schip’ in nood, maar met het oer-zwitsere beeld van de ‘wagen die van de bergweg dreigt te raken’. Een vrije Franse nadichting uit de 19de eeuw heeft deze vertaal‘shift’: notre barque est en danger (Louange et Prière, nr. 310). Zo staat het ook in het Liedboek voor de kerken (gezang 306). Jammer !

 

Het is overigens een knap gedicht. Rederijkersrijk aan binnen- en buitenrijm. Bijzonder origineel is ook het beeld dat Zwingli kiest voor de ‘kerk’... helaas wegvertaald, zoals ik al zei. Eigenlijk zou er moeten staan: Heer trek gij zelf de kar van uw kerk, want als wij het doen, dan begint alles meteen te wankelen en  is het gauw gedaan met ‘gods volk onderweg’. De kar ligt voor je het weet beneden in het ravijn...

Voorwaar een veel origineler beeld dan dat van het klassieke beeld van het ‘bootje in de storm, het schip der kerk’. Trouwens: bijzonder waar, wat Zwingli hier zegt ! God moet de kar trekken... Wij zijn – hoe hoog geplaatst en invloedrijk – nooit meer dan zijn ‘hulpjes’.. Had hij zelf ook maar wat meer distantie opgebracht ten opzichte van zijn eigen voortrekkersrol in Zürich, kan ik dan niet nalaten te denken.

 

En nu we toch bezig zijn: De wolf uit vers 2 is geen wolf, maar een bok... (bekender symbool voor Gods tegenstander is er natuurlijk niet... Wie anders loopt er met bokkenpoten temidden van de schapen... als een wolf in schaapskleren ? 

Overigens is het natuurlijk Augustinus die achter Zwingli’s haat-liefdeverhouding met de kunst zit. Ook Augustinus was zeer gevoelig voor de ‘indrukken die via de zintuigen’ worden opgedaan. Sensibel en sensitief. Hun beider werk getuigt van grote taalgevoeligheid, dichters, zonder meer. 

In hun werk getuigen beiden ook van hun grote ontvankelijkheid voor muziek...

Hoe weende ik bij uw lofliederen en gezangen, schrijft Augustinus, heftig geroerd door de liefelijke klinkende stemmen uwer kerk. Die stemmen, ze stroomden mijn oren binnen en zo druppelde, o God, uw waar­heid in mijn hart en een innige aandoening van vroomheid welde daaruit opwaarts, zodat mijn tranen onweerhoudbaar begonnen te stromen en ach... ik voelde mij zo goed daarbij, Confessiones, boek 9, VI, 14 (verslag van zijn bekering)

...om zich even later af te vragen of dat eigenlijk wel ‘helemaal kosjer was’ die enorme overweldiging door de zinnen. Hoe bedrieglijk kunnen je zintuigen zijn, stelt hij, geheel in de lijn van Plato: hoe kunnen ze je in vervoering brengen, vervoeren, verleiden, misleiden..Dat baarde Augustinus zorgen, m.n. voor het gebruik van muziek in de eredienst. Toch zo schrijft hij meteen daarna, wil hij ook niet

‘overdreven streng zijn’  of ‘overmatig beducht voor onbewuste beïnvloeding’.. 

Als ik mij dan weer de tranen herinner die ik vergoot bij het kerkgezang in de eerste tijd van het terugwinnen van mijn geloof, en bedenk dat ik ook nu niet geroerd word door het gezang maar door de inhoud van het ge­zongene, zeker wanneer dat gezongen wordt met een helder klinkende stem en op een goed bij de inhoud passende melodie.. dan erken ik weer het groot nut van dit gebruik, nl. om de psalmen te zingen in de kerk. Confessiones, boek 10, XXXIII, 50 (genieting van de oren = zintuiglijke bekoring)

 

Zwingli is hier roomser dan de paus: wantrouwiger dan Augustinus en hij kiest het zekere voor het onzekere: al het zintuiglijke weg uit de kerk: alleen het duidelijk verstaanbare gesproken woord en het even klare antwoord mag klinken.

 

Even tussendoor: die argwaan voor alles wat met het lichaam en de zinnen te maken heeft is een Grieks geschenk aan de kerk. M.n. Plato moet hier genoemd worden... met z’n verheerlijking van de geestelijke wereld van de volmaakte ideeën en zijn wantrouwen ten op zichte van de hele zintuiglijke wereld. Het Joodse - en dus christelijke denkspoor - is anders geörienteerd: geen opstijging uit het aardse tot in hogere sferen, maar het omgekeerde: Nederdaling uit den hoge: Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, zegt Johannes niet voor niets.

 

Wantrouw de grieken als ze met geschenken komen, weten we sinds de val van Troje..

 

Dick Wursten (teksten geconcipieerd voor het meditatief concert (januari 2001) waar een motet van Willem Ceuleers op deze liedtekst werd opgevoerd) 

 

 

 

 

 

 

 

 

This site was last updated
 November, 2018