Vluchtheuvelzangen

   
   

Home
Up
Liedboek dichters
Nieuwe Liedboek
Vluchtheuvelzangen
Veni Emmanuel
Wat is liturgie ?
Willem Barnard
Kerkliederen
Souterliedekens
psalmen - vogelvlucht
Boetepsalmen
Kerstliedjes

De Vluchtheuvelzangen

bron//schravendeelr.files.wordpress.com/2013/04/vluchtheuvelzangen.jpg: Wim Kloppenburg, 'En brengt tot Godes eer / 't verdoolde weer
De Vluchtheuvelzangen van Hendrik Pierson' (Documentatieblad voor de Nederlandsce Kerkgeschiedenis na 1800, 2002, p. 48-62)

Vluchtheuvelzangen is een verzamelbundel liederen uit 1905 in gebruik in de instellingen van de Heldringstichting in Zetten (opvang voor vrouwen, meisjes en kinderen + school en opleiding). De Vluchtheuvelkerk was hiervan het kloppend geestelijk hart. De liederen zijn meest gedichten van Hendrik Pierson, die sinds 1876 directeur was. Het zijn veel bijbelliederen (opvallend veel Paasliederen). Eén van die Paasliederen is de vertaling van ''Jesus unser Trost und Leben'' van Ernst Christoph Homburg (1605-1681) uit het Schemelli-Gesangbuch (muziek/zetting wordt aan J.S. Bach toegeschreven). Het lied is in wijdere kring bekend geworden door de bundel van mej. M. van Woensel Kooy. In het Liedboek voor de Kerken is het lied overgenomen met enkele kleine wijzigingen (gezang 222).

Pierson licht toe dat hij zelf is gaan dichten en muziek is gaan zoeken omdat hij de toenmalige teksten en muziek minderwaardig vond (''haastig gedicht of vertaald ... muziek maar al te dikwijls smakeloos"). De vrouwen en meisjes hadden recht op goede teksten en degelijke muziek, zowel om onder elkaar te zingen, als voor de zangavonden die op de feestdagen plaatsvonden in de Vluchtheuvelkerk. Vanaf Kerstmis 1880 liet hij bij iedere kerkelijke feestdag programma's drukken met nieuwe liederen, in een oplage van 1200 exemplaren ''die niet te Zetten bleven, maar van hand tot hand gingen''.

In 1905 verscheen de eerste druk van de Vluchtheuvelzangen, waarin Pierson 158 van zijn liederen bundelde. De meeste ervan (± 135) zijn oorspronkelijke teksten van Pierson zelf; verder bevat de bundel enkele bewerkingen van Nederlandse voorreformatorische liederen (zie onder). De overige liedteksten zijn vertalingen, meestal uit het Duits. In de tweede druk van de Vluchtheuvelzangen (1912) is de bundel met veertig liederen uitgebreid, ook weer vrijwel uitsluitend teksten van Pierson zelf; herdrukken verschenen in 1922 en 1931.

De melodiekeuze is merkwaardig vanuit ons perspectief. Naast Bach en Handel, ook Schumann, Beethoven, Haydn, Mozart. Zo treffen we bijv. Joh 3.16 aan op de wijze van een aria uit Mozart's Die Entführung aus dem Serail (Osmin). Toch roept dit lied wel een heel aparte sfeer op, innige blijdschap.

Wer ein Liebchen hat gefunden,
Die es treu und redlich meint,
Lohn' es ihr durch tausend Küsse,
Mach' ihr all das Leben süsse,
Sei ihr Tröster, sei ihr Freund.
Tralallera, tralallera!
Alzoo lief had God de wereld,
Dat Hij haar Zijn eigen Zoon,
D
'Eengeboorne heeft gegeven, (bis)
Afgestegen van Zijn troon, (bis)
O wat rijkdom van ontferming,
Heerlijk wonder van gena!

Mej. Elisabeth de Mol van Otterloo (Pierson's muzikale partner) schrijft hierover zelf in het begin van het ''Tweede voorbericht'' van de Vluchtheuvelzangen:

Ofschoon ik mij volkomen bewust ben, dat op kunstgebied de meeste ''arrangementen'' gelijk staan met ''dérangementen'', heb ik mij toch beijverd om uit den rijken schat van oude en nieuwe melodiën, vele derwijze te bewerken, dat zij voor muzikaal minder ontwikkelden zing-en speelbaar zijn. In kringen, waar tot dusver, nevens onze wonderschoone koralen, bijna uitsluitend liederen van Sankey en soortgelijke bekend zijn, heb ik aldus de van God geroepen kunstenaars trachten te introduceeren, wetende dat zij alleen recht hebben hunne tonen te paren aan 't geen den Christen heilig is.

Pierson en mejuffrouw de Mol van Otterloo (zij wordt in de Vluchtheuvelzangen met initialen aangeduid E.v.O.). hadden dus allebei een afkeer van de melodieën zoals ze bij Sankey en in andere opwekkingsbundels (Johannes de Heer gaf een verzameling uit, toevallig ook in 1905) voorkwamen. Pierson wilde zijn pupillen ook in cultureel opzicht ''verheffen''. Bij het Sociaal Congres van 1891 was dat ook een apart thema: ''Verhooging van den kunstzin, verbeteren van het onderwijs, verhoogen van de smaak van het publiek''.

Dr. P.L. Schram in zijn Pierson-biografie: Pierson is zo gelukkig geweest, zijn medewerkster mejuffrouw E. de Mol van Otterloo, die als organiste de Vluchtheuvelgemeente bleef dienen na haar afscheid als direktrice, bereid te vinden zijn liederen op muziek te zetten. Indien enigszins mogelijk sloot zij zich aan bij melodieën van grote komponisten als Mozart, Beethoven en Schumann. In die tijd, toen de smaakbedervende melodieën van Sankey grote invloed hadden, hebben de Zettense kinderen naast de door en door Bijbelse Vluchtheuvelzangen ook melodieën voor het leven meegekregen, die tot de kulturele erfenis van de mensheid behoren.

bronnen voor de muziek:
In negentiende-eeuwse harmonium-albums stonden talloze bewerkingen van allerlei klassieke stukken. Ook waren er uitgaven voor piano-vier-handig, met arrangementen van symfonieën en andere orkestwerken. In de ''betere kringen'' was het de manier om kennis te maken met eigentijdse muziek. Pierson kwam uit een milieu waar men veel musiceerde en zong, en waar men dit soort uitgaven kende. In 1904 begon Florimond van Duysse zijn uitgave van het Oude Nederlandsche lied (4 banden, 1904-1908). Pierson had een oudere bundel in zijn bezit en koos hieruit 3 voorreformatorische liederen (tekst & melodie). Ook in zijn belangstelling voor de oude liederen en hun melodieën is hij mee met z'n tijd. De veel voorkomende eenvoudige schrijfwijze in de bovenste muziekbalk (vaak tertsen) verraden de meerstemmige zang die in Steenbeek bij zulke liederen gebruikelijk was.
 

1.      nr. 80: Vergeefs gejaagd! - Woorden van Pater Brugman en melodie uit het Nederlandsch Volksliederenboek (DeLange, van Riemsdijk, Kalff), beginnend: "Ik heb gejaagd wel jaren lang..." (= gezang 471 in het Liedboek voor de Kerken (zie hiervoor een aparte pagina)

2.      nr. 140: Eeuwig is zo lang - Woorden naar Pater Brugman vrij gevolgd, beginnend: "Och, laat ons toch bedenken..." Melodie ?

3.      nr. 124 De Hovenier. - Woorden vrij gevolgd naar Zuster Baartken van Utrecht, beginnend: "Wel was ik in mijn gaarde om bloem en kruid gegaan..."  Als bron van de melodie wordt genoemd: Oud-Nederlandsche liederen bewerkt door J.C.M. van Riemsdijk. Bedoeld is diens uitgaven "Vier en twintig liederen uit de 15e en 16e eeuw " nr. 22 ('Sijt vrolijc groot en cleyne', een lied uit het "Devoot ende profijtelijck boecxken").

Dit laatste is een wel heel vrije bewerking van het lied van Zuster Bertken, de Utrechtse kluizenares uit de 15de eeuw.

Een lyedeken'' Suster Bertken

 
No. 124. De Hovenier.
‘Woorden vrij gevolgd naar Zuster Baartken van Utrecht'
Melodie uit ''Oud-Nederlandsche liederen’ (van Duysse)
 
Ik was in mijn hoofkijn om kruud gegaan,
Ik vand er niet dan distel en doorn staan.
Den distel en den doorn die wierp ik uut,
Ik zoude gaarne planten ander kruud.

Nu heb ik een gevonden, die gaarden kan;
Hij wil die zorge gaarne nemen an.
Een boom was hoog gewassen in korten tijd,
Dien kon ik uut der aarden brengen niet.

Dat hinder van den bome merkte hij waal,
Hij toog hem uut der aarden altemaal.
Nu moet ik hem wezen onderdaan,
Of hij wil dat gaarden niet bestaan.

Mijn hoofken moet ik wiên tot aller tijd,
Nochtans kan ik het klaar houden niet.
Hierin zo moet ik zaaien leliënzaad,
Dit moet ik vroeg beginnen in der dageraad.

Als hij daarop laat dauwen, die minre mijn,
Zo zal dit zaaiken schier bekleven zijn.
Die leliën ziet hij gaarne, die minre mijn,
Als zij te rechte bloeien en zuver zijn.

Als die rode rozen daaronder staan,
Zo laat hij zijnen zoeten dauw daarover gaan.
Als hij daarop laat schijnen der zonnen schijn,
Zo verblijden alle die krachten der zielen mijn.

Jezus is zijn name, die minre mijn!
Ik wil hem eeuwiglijk dienen en zijn eigen zijn.
Zijn min heeft mi gegeven zo hogen moed,
Dat ik niet meer achte dit aardse goed.
Wel was ik in mijn gaarde / om bloem en kruid gegaan,
Maar vond al omme d''aarde / vol doorn en distel staan.
Den distel en den doren, / die wierp ik wel daaruit;
Maar wie zaait naar behooren / beter kruid?

Nu heb ik Een gevonden, een kundig hovenier.
Wie heeft Hem mij gezonden? En hoe verscheen Hij hier?
Hij wist wel wat mij deerde, en wat Hem zeer misviel,
Want hoogmoed overheerde heel mijn ziel.








Nu zaait Hij reine zinnen van zuiver leliezaad.
Dat moet zeer vroeg beginnen, vroeg in den dageraad.






Nu plant Hij geur''ge rozen van ootmoed en berouw,
Die rood van liefde blozen om zijn trouw.

 

 

 

 

This site was last updated
 November, 2018