Het Comma Johanneum in de Antwerpse Polyglot
Het Comma Johanneum is de bekendste omstreden tekstplaats van het Nieuwe Testament: een zin over drie getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de heilige Geest, in 1 Johannes 5:7-8. Deze pagina gaat na hoe de Antwerpse Polyglot (1568–1572) met die zin omging: wie er wat mee deed, en met welke bronnen.
Waar het om gaat
De tekst
In de Griekse handschriften spreekt Johannes van drie getuigen: de Geest, het water en het bloed. De Latijnse Bijbel (de Vulgaat) heeft daarvóór een tweede drietal, in de hemel. Dat stuk heet het Comma Johanneum (“het zinsdeel van Johannes”). De versnummering moet u wegdenken, want is niet origineel. Zij dient enkel ter referentie
| Zonder Comma (de Griekse handschriften) eigen vertaling |
Met Comma (de Latijnse Vulgaat) |
|---|---|
| 7 Want drie zijn er die getuigen: | 7 Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één. |
| 8 de Geest, het water en het bloed; en die drie zijn het eens. | 8 En drie zijn er die getuigen op aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één. |
Het Comma is vet gezet. Het loopt van in de hemel tot en met op aarde. De injectie van de “eenheidsformule” vanuit vers 8 in het comma, maakt dit tot een sterke liturgische tekst (hoor Monteverdi's duo seraphim) staat onder druk in een deel van de Latijnse traditie. Daarover ging de middeleeuwse discussie die in de Complutensis z'n sporen heeft nagelaten (zie verderop), inclusief een lange marginale noot.
Herkomst in het kort:
- Hiëronymus' Vulgaat (einde vierde eeuw) heeft het Comma niet.
- Eerst bestaat de gedachte, nog niet de bijbeltekst. Latijnse schrijvers verbinden vanaf de late vierde eeuw de drie aardse getuigen met de Drie-eenheid, in uitleg, preek en theologisch betoog. Dat zijn citaten en toepassingen, geen afschriften van de bijbeltekst.
- In de bijbelhandschriften duikt het pas op vanaf de zevende en achtste eeuw, in enkele Latijnse handschriften uit Spanje en Noord-Afrika. Vermoedelijk begon het als kanttekening (glosse) die latere kopiisten voor een weggevallen stuk tekst hielden en in de tekst opnamen. De achtste-eeuwse Codex Sangallensis 63 heeft het nog als aanvulling in de ondermarge.
- Tegen het einde van de middeleeuwen staat het in vrijwel elk Latijns handschrift.
- Grieks: in de Griekse overlevering ontbreekt het, op enkele late, door de Vulgaat beïnvloede handschriften na. Het kwam in de gedrukte Griekse tekst via de Complutensis en via Erasmus (vanaf 1522, op gezag van de Codex Montfortianus, rond 1520 in Engeland geschreven). Via Estienne en Beza belandde het in de Textus Receptus, de King James en de Statenvertaling. Moderne vertalingen geven het hooguit in een noot (alhoewel de orthodoxie de laatste jaren weer aan soortelijkgewicht wint).
- Omdat het de enige plaats is waar Vader, Woord (Zoon) en Geest uitdrukkelijk “één” heten, werd het een geliefde bewijstekst voor het dogma van de Drie-eenheid.
Het algemene verhaal, met afbeeldingen van diverse manuscripten in Het comma Johanneum.
De twee polyglotten
Een polyglot is een Bijbel met de tekst in meerdere talen naast elkaar, in kolommen, bedoeld voor geleerden.
- De Complutensis (Alcalá de Henares, Latijn Complutum). Op initiatief en kosten van kardinaal Ximenes (Cisneros); het deel met het Nieuwe Testament werd in 1514 reeds afgewerkt en gedrukt maar pas rond 1520–1522 uitgegeven (imprimatur liet op zich wachten). Het is de eerste gedrukte Griekse tekst van het Nieuwe Testament, met de Vulgaat ernaast.
- De Antwerpse Polyglot of Biblia Regia
(“Koninklijke Bijbel”), gedrukt door Christoffel Plantijn in opdracht
van Filips II, onder leiding van Benito Arias Montano. Acht delen,
1568–1572. Voor het Nieuwe Testament van belang:
- deel V bevat het Grieks, de Latijnse Vulgaat, de Syrische tekst, een Latijnse vertaling daarvan;
- het interlineaire deel: het Grieks met daartussen (interlineair) een woord-voor-woord Latijnse vertaling;
- het apparaat (deel VIII): hulpmiddelen, waaronder twee lijsten met varianten, één voor het Grieks (Willem Canter) en één voor het Latijn (Leuvense theologen).
Who's who on this page
| Persoon | Rol op deze pagina |
|---|---|
| Diego López de Zúñiga (Stunica) | Een van de redacteuren van het Nieuwe Testament van de Complutensis; verdedigde het Comma tegen Erasmus |
| Erasmus | Gaf in 1516 de eerste in de handel gebrachte Griekse tekst uit, zonder Comma; nam het in 1522 op |
| Robert Estienne (Stephanus) | Parijse drukker; zijn uitgave van 1550 geeft in de marge varianten uit Griekse handschriften |
| Benito Arias Montano | Hoofdredacteur van de Antwerpse Polyglot; verantwoordelijk voor het interlineaire deel (denk ik) |
| Willem Canter | Stelde voor de Antwerpse Polyglot de lijst met Griekse varianten samen, zowel voor het OT (Griekse tekst van de LXX) als het NT (tekst van de Complutensis). |
| Leuvense theologen; Johannes Harlemius | Stelden de lijst met Latijnse varianten samen; Harlemius (Jan Willem van Haarlem) schreef hiervoor het voorwoord. |
Enkele begrippen
- Variant (varia lectio): een plaats waar handschriften of drukken verschillend lezen.
- Lemma: het woord of zinsdeel waar een notitie in een variantenlijst bij hoort.
- Marge: de rand van de bladzijde, waar alternatieve lezingen staan afgedrukt naast de hoofdtekst.
- Siglum (meervoud sigla): een letter of teken waarmee een handschrift of bron wordt aangeduid. Robert Estienne gebruikt de 1-16 in het Grieks als sigla in zijn 1550 Nieuwe testament.
- Collatie: het woord voor woord vergelijken van de tekst in meerdere bronnen.
In het kort
- De Antwerpse Polyglot volgt in haar bijbeleditie de Complutensis. Het Comma blijft in Antwerpen dus in de tekst staan. Grieks, Vulgaat en interlineaire tekst volgen de Complutensis.
- Het middeleeuwse twistpunt was niet de comma (men las Latijn, en ging ervan uit dat de Griekse versies die het niet hadden 'defect' waren). Het twistpunt daar was de herhaling van de eenheidsformule ('En deze drie zijn één'). Met beroep op Thomas van Aquino schrapt men de tweede instantie. Opnieuw volgt Antwerpen. In de Latijnse tekst (Vulgaat) blijft ze staan. Idem in Antwerpen (daar in de marge van de interlineaire uitgave)
- Twee instanties toetsten de tekst, langs verschillende wegen.
- Willem Canter selecteerde Griekse varianten uit de marge van Estienne's 1550 editie van het NT; diens marginale noot dat het Comma in zeven handschriften ontbreekt, nam hij niet over (hij meldt nooit een weglating). Ook de tekstuele varianten tussen de Griekse versies van de comma (Erasmus en de Complutensiërs hebben onafhankelijk van elkaar een vertaling van de Latijnse comma in het Grieks gemaakt, en het resultaat vertoont enkele verschillen) behandelt Canter niet.
- De Leuvense theologen toetsten Latijnse varianten aan de Griekse en Syrische kolom van de Polyglot zelf; zij melden dat het Syrisch het vers mist. Het ontbreken komt zo in het Syrisch wel in beeld, maar leidt nergens tot een ingreep in de tekst. De toetsing is circulair. Het Grieks waaraan Leuven het Latijn meet, is het Complutensische, dat uit het Latijn is vervaardigd.
- De enige onafhankelijke getuige, het Syrisch, mist vers 7. De Polyglot meldt dit twee keer, maar verbindt er geen conclusies of bezinningen aan.
Anders dan bij het slot van de Apocalyps, is er geen zuivere Griekse druk waartegen een afwijking afsteekt; Erasmus en Estienne zijn voor de tekst van de Polyglot in deel V niet van belang. Voor Canters variantenlijst is Estienne wel bepalend (zie Canter).
Excurs: Als de discussie niet over het comma ging, waar ging die dan wel over?
De twijfel betreft sinds de dertiende eeuw vers 8 en niet (de toevoeging aan) vers 7 (NB: de nummering is van Estienne, en heeft het comma dus netjes meegenomen. Bij weglating van het comma valt pas op hoe kort vers 7 is, dan wel onbestaand).
| Bron | Wat er staat | Nagegaan aan |
|---|---|---|
| Vierde Lateraans Concilie (1215), constitutie 2 | Joachim van Fiorie beroept zich op 1 Johannes 5 : Quoniam in canonica Ioannis Epistola legitur, Quia tres sunt qui testimonium dant in cælo Pater & Verbum et Spiritus et hi tres unum sunt statimque subjungitur, et tres sunt qui testimonium dant in terra spiritus aqua et sanguis et tres unum sunt sicut in codicibus quibusdam invenitur. | de tekst zoals Newton hem aanhaalt |
| Thomas van Aquino, Expositio super secundam Decretalem | et hi tres unum sunt bij vers 7 duidt op de eenheid van wezen. Bij vers 8 staat het “in sommige boeken”, maar in veris exemplaribus non habetur: het zou door Arianen zijn toegevoegd. Over vers 7 (het comma zelf) is er geen twijfel. | Corpus Thomisticum |
| Complutensis 1514 | Drukt Thomas’ woorden als marginale noot; laat de formule in vers 8 weg in het Grieks. Ze blijft echter staan in het Latijn. | facsimile |
| Antwerpen, deel V en interlineair deel | Zelfde Grieks; de formule van vers 8 in de Latijnse marge; geen noot | facsimile |
- De inzet is dogmatisch. De abt Joachim van Fiore las et tres unum sunt als eenheid in de drie-enige God als een eenheid van liefde en instemming, niet van wezen. Als precies dezelfde eenheids proclamatie ook bij "geest, water en bloed" staat, dan steunt dat zijn 'symbolische interpretatie' van het eenheidsbegrip in vers 7. Zonder de herhaalde formule in vers 8 (na de aardse getuigen) blijft unum sunt een aanduiding van de wezenlijke eenheid van Vader Zoon en Geest.
- De kwalificatie van het concilie is dubbelzinnig. Sicut in codicibus quibusdam invenitur volgt op het hele citaat. De verdubbeling is ook gewoon in de Vulgaat te vinden. [Ik denk dan: Men heeft tijdens de injectie van het comma gedacht: het kan nooit kwaad om dat stukje originele tekst ook gewoon nog even te herhalen].
- Het Comma zelf komt alleen als vaststaande feitelijke tekst in beeld. Antwerpen meldt dus dat het Syrisch vers 7 mist (Deest 7. versus; S. hunc versum non habent) maar trekt daar geen conclusie uit. Estienne's noot dat zeven Griekse handschriften het Comma missen*, neemt Canter niet over.
- De rollen zijn omgekeerd aan de handschriften. De betwijfelde zin (vers 8) is de enige met Griekse overlevering; de onbetwijfelde (vers 7) heeft er geen.
Stunica: waar komt het Griekse vers 7 vandaan?
Het debat tussen Stunica en Erasmus over het Comma zelf speelt buiten de polyglotten, maar raakt de Complutensis rechtstreeks, omdat Stunica een van haar editors was.
- Zijn antwoord aan Erasmus (Annotationes contra Erasmum, Alcalá 1520) opent met Sciendum est hoc loco graecorum codices apertissime esse corruptos. Dat is: Iedereen weet dat toch. Die Griekse exemplaren zijn 'corrupt'. De Latijnse exemplaren bewaren godzijdank de oorspronkelijke tekst ; als bewijs noemt hij de (pseudo-)Hiëronymiaanse proloog op de katholieke brieven.
- Een Grieks handschrift voert hij niet aan, terwijl hij enkele verzen verder, bij 5:20, wel de Codex Rhodiensis citeert. Erasmus wijst daar in zijn Apologia op.
- Dat het Grieks een terugvertaling is, blijft een gevolgtrekking uit dit zwijgen. Het Grieks van vers 7 geeft het Latijn ernaast bovendien niet woordelijk weer: καὶ οἱ τρεῖς εἰς τὸ ἕν εἰσι tegenover et hi tres unum sunt.
Stunica’s tekst van 1520 heb ik niet gezien. Bovenstaande berust op latere transcripties en op Erasmus’ antwoord. Het is na te lezen in De Jonges editie van de Apologia (ASD IX-2).
De teksten: Complutensis en Antwerpen
Antwerpen volgt het Grieks van de Complutensis in 1 Johannes 5:6–10 woord voor woord, laat de noot weg en zet - conform haar editorial principles - de formule van vers 8 netjes in de Latijnse marge.
ὅτι τρεῖς εἰσιν οἱ μαρτυροῦντες ἐν τῷ οὐρανῷ, ὁ πατήρ, καὶ ὁ λόγος, καὶ τὸ ἅγιον πνεῦμα· καὶ οἱ τρεῖς εἰς τὸ ἕν εἰσι. καὶ τρεῖς εἰσιν οἱ μαρτυροῦντες ἐπὶ τῆς γῆς, τὸ πνεῦμα, καὶ τὸ ὕδωρ, καὶ τὸ αἷμα.
| Complutensis 1514 | Antwerpen, deel V | |
|---|---|---|
| Grieks vers 7 | als hierboven | gelijk |
| Grieks vers 8 | zonder eenheidsformule | gelijk |
| Vulgaat vers 7 | pater, verbum, et spiritus sanctus, & hi tres unum sunt; dant in caelo | gelijk |
| Vulgaat vers 8 | eindigt op aqua & sanguis | eindigt op sanguis.†, met & hi tres unum sunt in de marge |
| Vulgaat vers 12 | Qui habet filium dei | Qui habet filium, met Dei in de marge |
| Noot | de woorden van Thomas, in de marge | geen |
| Syrisch | geen Syrische kolom | Deest 7. versus; vers 8 met & hi tres in uno sunt |
- De noot in de Complutensis verklaart de vorm van de Griekse Complutensische tekst. Antwerpen neemt de tekst over zonder de verantwoording.
- De Antwerpse Vulgaat volgt de Complutensis, met handschriftvarianten in de marge. Zo was het afgesproken (zie het voorwoord van Harlemius), en bij vers 8 klopt dat: de tekst is Complutensisch, de geschrapte formule staat in de marge. Bij vers 12 wijkt de Antwerpse tekst af (filium zonder Dei, dat naar de marge gaat).
- Het Syrisch wordt niet aangevuld. Het ontbreken van vers 7 wordt gemeld, niet verholpen.
Het interlineaire deel
Het interlineaire deel (p. 177) heeft dezelfde Griekse tekst. Montano’s Latijn tussen de regels volgt het Grieks woord voor woord; de marge geeft waar de Vulgaat anders formuleert, anders leest of meer heeft. Een Griekse variant geeft het niet. Het Grieks in de marge is de grondvorm' van het werkwoord.
| Vers | Interlineair Latijn | Marge (Vulgaat) | Grieks |
|---|---|---|---|
| 6 | ille testans | qui testificatur | τὸ μαρτυροῦν |
| 6 | Spiritus est veritas | Christus | τὸ πνεῦμα |
| 7 | illi testantes | qui testimonium dant | οἱ μαρτυροῦντες |
| 7 | & tres in unum sunt | hi | οἱ τρεῖς εἰς τὸ ἕν εἰσι |
| 8 | illi testantes | qui testimonium dant | οἱ μαρτυροῦντες |
| 8 | (niets, na sanguis) | & hi tres, unum sunt | (niets) |
| 10 | habet testimonium in se | Dei | ἔχει τὴν μαρτυρίαν ἐν αὑτῷ |
| 10 | Non credens Deo | Qui non credit Filio | ὁ μὴ πιστεύων τῷ θεῷ |
- De marge heeft drie soorten notities. Vulgaatformuleringen waar Montano letterlijker vertaalt (qui testificatur voor ille testans). Echte Vulgaatvarianten waar de grondtekst verschilt (Christus voor Spiritus, vers 6). En, met asterisk, de formule van vers 8, die in het afgedrukte Grieks helemaal ontbreekt.
- In vers 7 volgt de vertaling het Grieks letterlijk: in unum, met in cursief, en hi naar de marge.
- Het enige Grieks in de marge is een grondvorm: μαρτυρέω bij μεμαρτύρηκε (vers 9).
De Latijnse varianten in het apparaat (Leuven)
In het apparaat (deel VIII) staat een boekje met varianten van de Vulgaat, verzameld uit handschriften door Leuvense theologen. Het voorwoord van Johannes Harlemius staat aan het begin van het geheel; het deel over het Nieuwe Testament heeft een eigen inleiding. Wat het voorwoord van Harlemius zegt
- De opzet kwam van de redactie die Filips II had aangesteld: de Vulgaattekst zou ex illis Complutensibus Bibliis worden gedrukt, en varianten uit oude handschriften zouden ad finem totius operis komen.
- De uitvoering lag bij aliquot Theologorum in Academia Louaniensi, niet bij naam genoemd. Harlemius schreef het voorwoord.
- De handschriften: die Johannes Hentenius al eerder had gebruikt voor de Leuvense Vulgaat-editie (1547), voor zover ze uit verschillende bibliotheken terug te vinden waren, en vijftien andere, aan geleverd door de theoloog Augustinus Hunnaeus.
- De toetsing: welke Latijnse variant staat het dichtst bij de bron? Voor het Nieuwe Testament is dat het Grieks en het Syrisch. Harlemius beroept zich op Hiëronymus (brief aan Sunnia en Fretela) en Augustinus (De doctrina christiana II.11): als de beekjes troebel zijn, ga terug naar de bron.
- Het slot onderwerpt alles aan het oordeel van de Roomse Kerk. De Vulgaat blijft de tekst; de bronnen dienen om tussen Latijnse lezingen te kiezen.
De tekenverklaring is beslissend voor het Comma:
| Teken | Latijn | Betekenis |
|---|---|---|
| Ms. | lectionem diuersam à lectione textus impressi in his Bibliis regiis, petitam tamen ex aliquo vel aliquibus vetustis editionis vulgatae codicibus manuscriptis | een lezing die afwijkt van de gedrukte tekst van de Polyglot, ontleend aan een of meer oude Vulgaathandschriften |
| G. | textum Graecum in iisdem Bibliis positum | de Griekse tekst van de Polyglot zelf |
| S. | lectionem Syriacam noui testamenti eorundem Bibliorum | de Syrische tekst van de Polyglot zelf |
Verder: H. (Hebreeuwse tekst) en C. (Chaldeeuwse = Aramese parafrase) voor het Oude Testament. Woorden waarin de codices verschillen zijn in een andere letter gezet (alio genere characteris). Vermoede kopiistenfouten zonder steun in een handschrift staan apart, achter de varianten.
De inleiding bij het Nieuwe Testament
“Het [Latijnse] Nieuwe Testament van deze Koninklijke Bijbel kent vele varianten, die in de marge naast de Vulgaat zijn genoteerd. Wanneer wij die voor juister hielden (veriores), hebben wij ze ook in deze lijst opgenomen. Vindt u er sommige, zoals de meeste, niet in, dan komt dat doordat de lezing in de tekst zelf dichter bij de Griekse of Syrische tekst staat (propius accedat ad textum Graecum aut Syriacum) dan die in de marge. Want u zult vrijwel overal zien dat de minder goedgekeurde lezing naar de marge is verwezen.”
De notitie bij 1 Johannes 5:7
7 Testimonium dant caelo. MS. pro, dant in caelo, sicut G. tamen habent. S. hunc versum non habent.
| Onderdeel | Betekenis |
|---|---|
| Testimonium dant caelo. | De handschriftlezing: "Testimonium dant caelo" (zonder in) |
| MS. pro, dant in caelo | Een of meer Latijnse handschriften hebben in plaats van (pro) die tekst "dant in caelo". Het afwijkende in staat cursief. |
| sicut G. tamen habent | Zo (d.w.z. met in (ἐν τῷ οὐρανῷ), heeft het Grieks het echter wel. Dat steunt de gedrukte tekst. |
| S. hunc versum non habent | Het Syrisch heeft het hele vers niet. |
De overige notities in het hoofdstuk (vers 13, 15, 16) betreffen tijd en getal: scripsi/scribo, postulavimus/postulamus, petet/petat.
Wat dit betekent
- De toetsing is circulair, volgens de eigen definitie. G. is het Grieks van de Polyglot, en dat is hier het Complutensische. Het Latijn wordt zo “bevestigd” door een Grieks dat voor vers 7 vermoedelijk zelf uit het Latijn is vertaald (zie Stunica).
- Het Syrisch is de enige getuige van buiten. De Leuvenaars melden dat vers 7 (het comma) ontbreekt, maar laten het daarbij.
- Over de Latijnse handschriften zwijgt de notitie. Er staat geen “Ms. hunc versum non habent”. Kennelijk miste geen van de gecollationeerde handschriften het vers, of werd dat niet gemeld. Dit is een argumentum e nihilo, geen bewijs.
- Het middeleeuwse probleem: de herhaling van et tres unum sint staat niet in de lijst. Volgens de regel van de inleiding betekent dat: de gepubliceerde Latijnse tekst staat dichter bij het Grieks of bij het Syrisch dan de marge. Voor het Grieks klopt dat, want het Complutensische Grieks heeft de formule maar 1x. Voor het Syrisch klopt dat ook want dat heeft & hi tres in uno sunt ook maar 1x (logisch, want ze heeft het comma niet). De regel is formeel gevolgd, maar het Grieks dat de doorslag geeft, is het Grieks waarin de Complutensis de formule om dogmatische redenen had weggelaten.
Canter (de intern Griekse vergelijking)
Canters verantwoording in de lijst met variae lectiones zegt dat hij een Grieks exemplaar van de gangbare editie gebruikte, “dat onder meer ook met de Complutensische codex was vergeleken” (vulgatae editionis exemplari Graeco … quod etiam cum Complutensi codice inter alios fuerat collatum). Dat is Stephanus 1550 met zijn eigen apparaat, waarin α de Complutensis is. Bij Handelingen 16 en Apocalyps 22 staat alles wat Canter geeft in Estiennes marge (zie ook Canters praefatio en Ad lectorem). Zijn lemmata zijn dus varianten tegenover Estiennes tekst, niet tegenover die van de Polyglot.
Ook hier heeft Canter dus de marge van Stephanus 1550 (deel 2, p. 167–168) gezien. Van de vijftien noten die daar in 1 Johannes 5 staan, neemt hij er acht over. Beide noten bij vers 7 laat hij weg. Opnieuw: Al zijn varianten staan in Estiennes marge, in dezelfde vorm en volgorde; een lezing die daar niet staat, heeft hij niet. Sigla geeft hij niet.
| Vers | Canter | Stephanus 1550, marge | Sigla | Pagina |
|---|---|---|---|---|
| 5 | τίς δέ ἐστιν | τίς δέ ἐστιν | ε, ι | 167 |
| 6 | ὕδατος καὶ πνεύματος | καὶ πνεύματος, bij ὕδατος | δ, ε, ι | 167 |
| 6 | ἀλλὰ καὶ ἐν τῷ πνεύματι | ἀλλὰ καὶ ἐν τῷ πνεύματι | ε, ια | 167 |
| 10 | τὴν μαρτυρίαν τοῦ θεοῦ | τοῦ θεοῦ, bij τὴν μαρτυρίαν | δ, ε, ια | 167 |
| 10 | πιστεύων τῷ υἱῷ | τῷ υἱῷ | δ, ια | 167 |
| 12 | τὸν υἱὸν τοῦ θεοῦ | τοῦ θεοῦ | ια | 167 |
| 20 | ἀληθινὸν θεόν | θεόν, bij τὸν ἀληθινόν | δ, ε, ι, ια | 168 |
| 21 | τεκνία μου | μου, bij τεκνία | ια | 168 |
| Vers | Tekst Stephanus 1550 | Marge 1550 (sigla) | Bij Canter |
|---|---|---|---|
| 4 | πᾶν τὸ γεγεννημένον | πᾶς ὁ γεγεννημένος (δ) | nee |
| 5 | τίς ἐστιν | δέ ἐστιν (ε, ι) | τίς δέ ἐστιν |
| 6 | δι' ὕδατος καὶ αἵματος | καὶ πνεύματος, toevoeging na ὕδατος (δ, ε, ι) | ὕδατος καὶ πνεύματος |
| 6 | ἀλλ' ἐν τῷ ὕδατι καὶ τῷ αἵματι | ἀλλὰ καὶ ἐν τῷ πνεύματι (ε, ια) | ἀλλὰ καὶ ἐν τῷ πνεύματι |
| 7 | ἐν τῷ οὐρανῷ | weglatingsteken (δ, ε, ζ, θ, ι, ια, ιγ); gedrukt om ἐν τῷ οὐρανῷ, bedoeld is het hele Comma* | nee |
| 7 | οὗτοι οἱ τρεῖς ἕν εἰσι | εἰς τό, toevoeging vóór ἕν (α) | nee |
| 9 | ἣν μεμαρτύρηκε | ὅτι (δ, ε) | nee |
| 10 | τὴν μαρτυρίαν ἐν ἑαυτῷ | τοῦ θεοῦ, toevoeging (δ, ε, ια) | τὴν μαρτυρίαν τοῦ θεοῦ |
| 10 | ὁ μὴ πιστεύων τῷ θεῷ | τῷ υἱῷ (δ, ια) | πιστεύων τῷ υἱῷ |
| 12 | ὁ ἔχων τὸν υἱόν | τοῦ θεοῦ, toevoeging (ια) | τὸν υἱὸν τοῦ θεοῦ |
| 13 | ὑμῖν τοῖς πιστεύουσιν … | ὑμῖν, ἵνα εἰδῆτε ὅτι ζωὴν ἔχετε αἰώνιον οἱ πιστεύοντες εἰς τό (δ, ε) | nee |
| 20 | οἴδαμεν δέ | καὶ οἴδαμεν (δ, ι of ια; onzeker) | nee |
| 20 | τὸν ἀληθινόν | θεόν, toevoeging (δ, ε, ι, ια) | ἀληθινὸν θεόν |
| 21 | τεκνία | μου, toevoeging (ια) | τεκνία μου |
| 21 | φυλάξατε ἑαυτούς | ἑαυτά (ι, ια; onzeker) | nee |
De sigla op p. 167–168
Identificaties volgens Elliott (2009), tabel 1. In zijn notatie staat e voor de evangeliën, a voor Handelingen met de katholieke brieven en p voor Paulus. De onzeker gelezen sigla bij καὶ οἴδαμεν en ἑαυτά (vers 20 en 21) zijn in de laatste kolom niet meegeteld.
| Siglum | Inhoud | Handschrift (GA) | Bibliotheek | In 1 Johannes 5 |
|---|---|---|---|---|
| α′ | — | Complutensis | — | vers 7 (εἰς τό) |
| δ′ | eap | 5 | Paris gr 106 | vers 4, 6, 7, 9, 10 (2×), 13, 20 |
| ε′ | eap | 6 | Paris gr 112 | vers 5, 6 (2×), 7, 9, 10, 13, 20 |
| ζ′ | e | 8 (alleen evangeliën) | Paris gr 49 | vers 7 |
| θ′ | eap | 38 | Paris Coislin 200 | vers 7 |
| ι′ | ap | 2298 | Paris gr 102 | vers 5, 6, 7, 20 |
| ια′ | ap | verloren (8a 10p) | — | vers 6, 7, 10 (2×), 12, 20, 21 |
| ιγ′ | ap | 398 | Cambridge UL Kk 6.4 | vers 7 |
- ζ′ is het enige probleem. Het staat alleen bij het Comma, en volgens de tabel bevat het handschrift alleen de evangeliën. Gregory (1894) neemt aan dat ζ′ buiten de evangeliën een ander, verloren handschrift aanduidt (50a, 8p): zeven keer geciteerd in de katholieke brieven. Elliott oppert Paris gr 47 (GA 18) en acht nader onderzoek nodig.
- Wikipedia wijkt af bij ϛ′ (2817 tegen Elliotts 7), ιε′ (237? tegen 82) en de inhoud van ι′. Voor deze pagina speelt dat geen rol.
Wat Canter ermee doet
- Bij vers 7 had hij twee noten voor zich en nam hij geen van beide over: het weglatingsteken, met zeven handschriften die het hele Comma missen*, en de Complutensische lezing εἰς τό.
- Het zijn handschriftlezingen. Alleen εἰς τό draagt het siglum van de Complutensis. Voor de Polyglot zijn Canters lemmata hier dus echte varianten.
- Minstens drie lemmata geven het Grieks achter de Vulgaat: bij vers 10 (testimonium Dei, Qui non credit Filio) en vers 12 (filium Dei), tegen het Grieks van de Polyglot.
- Het zwijgen bij het Comma staat niet alleen. Hij laat ook de noten bij vers 4, 9, 13, 20 (καὶ οἴδαμεν) en 21 (ἑαυτά) weg, en die bij vers 9 en 13 veranderen de zin. Dat hij vers 7 bewust meed, volgt daar niet uit; zie het volgende punt.
- De vorm van zijn lijst verklaart het weglaten. Volgens het Ad lectorem liet hij meestal weg wat hetzelfde betekent, wat drukfout is en wat glosse is; het weglatingsteken is geen van de drie. Maar zijn lijst geeft alleen lemmata, zonder de basistekst, en een weglating is daarin niet uit te drukken. In Apocalyps 22 neemt hij ook geen van Estiennes drie weglatingsnoten over (22:12, 15, 17; zie Apocalyps 22 in de Antwerpse Polyglot).
- De andere noot bij vers 7, εἰς τό (α), is de Complutensische lezing, die de Polyglot al drukt. Bij vers 7 had hij dus niets wat hij in zijn vorm als variant op de Polyglot kon noteren. Zijn zwijgen hoeft daarom geen bewuste keuze tegen het Comma te zijn. Voor ξύλου in Apocalyps 22 geldt deze verklaring niet: dat is een vervanging, geen weglating.
- Wat niet in de marge staat, kan niet in zijn lijst komen. Omdat Canter uit Estiennes marge selecteert, ziet hij alleen wat Estienne heeft genoteerd. De verschillen tussen Estiennes tekst en die van de Polyglot zijn echter tekstuele verschillen, geen marginale. Die gaan terug op het feit dat waar twee mensen Latijn in het Grieks vertalen er verschillen ontstaan: καὶ οὗτοι οἱ τρεῖς ἕν εἰσι tegenover καὶ οἱ τρεῖς εἰς τὸ ἕν εἰσι (vers 7), ἐν τῇ γῇ tegenover ἐπὶ τῆς γῆς. Ook de eenheidsformule in vers 8 ontbreekt in het Grieks. En zelfs al had hij ze gezien, hij zou ze niet genoteerd hebben in zijn variantenlijst, omdat ze geen inhoudelijke betekenisverschil uitdrukken.
- Daardoor blijft dus heel vers 8 buiten beeld. Noch het comma, noch het Griekse getuigenis voor de eenheidsformule (het eigenlijke twistpunt sinds Thomas) komt bij Canter in aanmerking om als variant in de Polyglot te worden opgenomen. Dat is een gevolg van zijn werkwijze, hoeft geen keuze te zijn.
- Langs de Leuvense weg evenmin. Daar beslist de Griekse kolom van de Polyglot zelf, en die mist de formule (zie hierboven). Beide toetsingen lopen zo vast op (of worden circulair vanwege) dezelfde Complutensische tekst.
Erasmus en Estienne: secundair voor de tekst
Estiennes tekst heeft het Comma in een andere Griekse vorm dan de Polyglot. Twee vormen naast elkaar wijzen op twee afzonderlijke terugvertalingen uit het Latijn, niet op een Griekse overlevering.
| Antwerpen (naar de Complutensis) | Stephanus 1550 | |
|---|---|---|
| Hemelse getuigen | ὁ πατήρ, καὶ ὁ λόγος, καὶ τὸ ἅγιον πνεῦμα | ὁ πατήρ, ὁ λόγος, καὶ τὸ ἅγιον πνεῦμα |
| Formule in vers 7 | καὶ οἱ τρεῖς εἰς τὸ ἕν εἰσι | καὶ οὗτοι οἱ τρεῖς ἕν εἰσι |
| Plaats in vers 8 | ἐπὶ τῆς γῆς | ἐν τῇ γῇ |
| Formule in vers 8 | ontbreekt | καὶ οἱ τρεῖς εἰς τὸ ἕν εἰσι |
Opmerking: Estiennes collatie is hier onvolledig. Zijn marge noteert van de Complutensische vorm alleen εἰς τό als variant. Het weglatingsteken rond het comma omsluit in de druk alleen ἐν τῷ οὐρανῷ; letterlijk zegt de noot dus dat zeven handschriften alleen die drie woorden missen. Bedoeld is het hele Comma.
Van de zeven handschriften bij het weglatingsteken zijn er zes geïdentificeerd (zie de sigla op p. 167–168). In de vijf die nog bestaan, GA 5 (δ′), 6 (ε′), 38 (θ′), 2298 (ι′) en 398 (ιγ′), ontbreekt het hele Comma, van ἐν τῷ οὐρανῷ tot en met ἐν τῇ γῇ; ια′ is verloren. Het zevende, ζ′, is niet zeker geïdentificeerd. Het teken sluit in de druk dus te vroeg. Dat was de twistvraag tussen Travis en Porson/Marsh (jaren 1790).
Wat nog openstaat
- De concilietekst van 1215 rechtstreeks nalezen; nu bekend uit Newtons aanhaling.
- Nagaan of de traktaten in het apparaat van de Polyglot het Comma bespreken.
- Stephanus 1550, p. 168: de sigla bij καὶ οἴδαμεν en ἑαυτά in hogere resolutie nalezen.
- Stephanus’ ζ′ in de katholieke brieven: welk handschrift (verloren 50a, of GA 18)? Bij de andere zes plaatsen nagaan of de lezingen bij 18 passen.
- Stunica’s Annotationes (1520) bij 1 Johannes 5 zelf lezen, of de tekst in De Jonges ASD IX-2.
- Deel V in hogere resolutie: Dei bij vers 12 en Deest 7. versus bevestigen; het Grieks buiten vers 6–10 naast de Complutensis leggen.
- Deel V, vers 12: waarom wijkt de Antwerpse Vulgaat hier af van de Complutensis, terwijl Harlemius zegt dat de Vulgaat naar de Complutensis werd gedrukt? Nagaan hoe vaak dat elders gebeurt.
- Het Leuvense aanhangsel met vermoede kopiistenfouten: bevat het plaatsen uit 1 Johannes of de andere katholieke brieven?
- Antwerpen bij 5:4: de Complutensis lijkt daar ἡ πίστις ὑμῶν te hebben naast fides nostra.
Bronnen
- Van facsimile gelezen: Complutensis 1514, 1 Johannes 5:1–16 met de noot naar Thomas; Antwerpse Polyglot, deel V (opening met 1 Johannes 5), interlineair deel p. 177, Canters variantenlijst, en in het apparaat de Leuvense Variae lectiones (voorwoord van Harlemius met tekenverklaring, de inleiding Lectori bij het Nieuwe Testament en de notities bij 1 Johannes 5); Stephanus 1550, deel 2, p. 167 (Gallica en een tweede exemplaar) en p. 168.
- Thomas van Aquino, Expositio super primam et secundam Decretalem (Corpus Thomisticum): de passage tegen Joachim over 1 Johannes 5.
- Isaac Newton, Two Notable Corruptions of Scripture (Newton Project): alleen voor zijn aanhaling van het Lateraanse concilie.
- H. J. de Jonge, “Erasmus and the Comma Johanneum”, ETL 56 (1980); Grantley McDonald, Biblical Criticism in Early Modern Europe (2016).
- J. K. Elliott, “Manuscripts Cited by Stephanus”, New Testament Studies 55 (2009), pp. 390–395, doi:10.1017/S0028688509000150: tabel 1 en de bespreking van ζ′.
- Jan Krans, Beyond What Is Written: Erasmus and Beza as Conjectural Critics of the New Testament (NTTS 35, Leiden 2006), appendix II.
- F. H. A. Scrivener, A Plain Introduction to the Criticism of the New Testament, 4e druk, ed. E. Miller (1894), vol. 1 (Project Gutenberg).
- Erasmus, Apologia respondens ad ea quae Iacobus Lopis Stunica taxaverat, ed. H. J. de Jonge, ASD IX-2 (1983), open access bij OAPEN; hier nog niet geraadpleegd.