Hand 16:35–40 bij Canter: codex Bezae uit de marge van Estienne
De vraag
In zijn variantenlijst in de Antwerpse Polyglot geeft Willem Canter bij Hand 16, verzen 35, 39 en 40, lange stukken Grieks die niet in de gedrukte tekst staan. Het is de tekst van codex Bezae (D). Wat heeft Canter hier eigenlijk gedaan? Waar vond hij die tekst, en hoe nam hij hem over?
De gewone tekst en codex Bezae
Het antwoord is niet zo simpel, omdat het hier gaat om een poging om een oude, maar erg afwijkende codex, te collationeren met de standaardtekst. Dat kan eigenlijk niet met 'sigla' of een kritische apparaat (in de huidige edities staat die tekst ook niet meer). Daarom alles maar eens gewoon integraal uitgeschreven en naast elkaar gezet. Geeft ook een veel beter beeld/gevoel van de multiplicity of Scripture. Links de lopende tekst van Estienne 1550 (had ook Complutensis kunnen zijn), rechts codex Bezae. Met behulp van Claude AI de tekst gerubriceerd. In bruin staat wat D in plaats van de gewone tekst heeft; onderstreept is de gewone tekst die daardoor vervangen wordt. De genummerde tekens ①②③ zijn Estiennes marginale varianten uit D (zie hieronder); de rijen met achtergrondkleur tonen hoe ver elke noot reikt. Blauw gemarkeerd zijn de verschillen die Estienne niet noteert: links wat D mist of anders heeft, rechts wat D extra of anders heeft. Zuivere spellings- en vormverschillen (bv. εβαλαν – lijkt me een slip of the pen; πορευεσθαι) zijn niet gemarkeerd.
| Vers | Estienne 1550, lopende tekst | Codex Bezae (D) |
|---|---|---|
| 35 | Ἡμέρας δὲ γενομένης, | ημερας δε γενομενης |
| ①ἀπέστειλαν οἱ στρατηγοὶ τοὺς ῥαβδούχους | συνηλθον οις στρατηγοι επι το αυτο εις την αγοραν και αναμνησθεντες τον σεισμον τον γεγονοτα εφοβηθησαν και απεστειλαν τους ραβδουχους | |
| λέγοντες, Ἀπόλυσον τοὺς ἀνθρώπους ἐκείνους. | λεγοντας απολυσον τους ανθρωπους εκεινους | |
| ② | ους εχθες παρελαβες | |
| 36 | Ἀπήγγειλε δὲ ὁ δεσμοφύλαξ τοὺς λόγους τούτους πρὸς τὸν Παῦλον, Ὅτι ἀπεστάλκασιν οἱ στρατηγοί, ἵνα ἀπολυθῆτε· νῦν οὖν ἐξελθόντες πορεύεσθε ἐν εἰρήνῃ. | και εισελθων ο δεσμοφυλαξ απηγγειλεν τους λογους προς τον παυλον οτι απεσταλκασιν οι στρατηγοι ϊνα απολυθητε νυν ουν εξελθοντες πορευεσθαι |
| 37 | Ὁ δὲ Παῦλος ἔφη πρὸς αὐτούς, Δείραντες ἡμᾶς δημοσίᾳ, ἀκατακρίτους, ἀνθρώπους Ῥωμαίους ὑπάρχοντας, ἔβαλον εἰς φυλακήν, καὶ νῦν λάθρᾳ ἡμᾶς ἐκβάλλουσιν; οὐ γάρ· ἀλλὰ ἐλθόντες αὐτοὶ ἡμᾶς ἐξαγαγέτωσαν. | ο δε παυλος εφη προς αυτους αναιτειους δειραντες ημας δημοσια ακατακριτους ανθρωπους ρωμαιους ϋπαρχοντας εβαλαν εις φυλακην και νυν λαθρα ημας εκβαλλουσιν ου γαρ αλλα ελθοντες αυτοι ημας εξαγαγετωσα(ν) |
| 38 | Ἀνήγγειλαν δὲ τοῖς στρατηγοῖς οἱ ῥαβδοῦχοι τὰ | απηγγειλαν δε αυτοι σοι στρατηγοις οι ραβδουχοι τα |
| ③ῥήματα ταῦτα· καὶ ἐφοβήθησαν ἀκούσαντες ὅτι Ῥωμαῖοί εἰσι, | ρηματα ταυτα τα ρηθεντα προς τους στρατηγους οι δε ακουσαντες οτι ρωμαιοι εισιν εφοβηθησαν | |
| 39 | καὶ ἐλθόντες παρεκάλεσαν αὐτούς, καὶ ἐξαγαγόντες ἠρώτων ἐξελθεῖν τῆς πόλεως. | και παραγενομενοι μετα φιλων πολλων εις την φυλακην παρεκαλεσαν αυτους εξελθειν ειποντες ηγνοησαμεν τα καθ υμας οτι εσται ανδρες δικαιοι και εξαγαγοντες παρεκαλεσαν αυτους λεγοντες εκ της πολεως ταυτης εξελθατε μηποτε παλιν συνστραφωσιν ημειν επικραζοντες καθ υμων |
| 40 | Ἐξελθόντες δὲ ἐκ τῆς φυλακῆς εἰσῆλθον εἰς
τὴν Λυδίαν· καὶ ἰδόντες τοὺς ἀδελφούς, παρεκάλεσαν αὐτούς καὶ ἐξῆλθον. |
εξελθοντες δε εκ της φυλακης ηλθον προς την λυδιαν και ϊδοντες τους αδελφους διηγησαντο οσα εποιησεν κ̅ς̅ αυτοις παρακαλεσαντες αυτους |
| και εξηλθαν |
Tekst van D naar de transcriptie in de Cambridge Digital Library (Cambridge, University Library, MS Nn.2.41), opnamen 801 en 803. Accenten in Estiennes tekst genormaliseerd.
De bron: de marge van Estienne 1550
De codex lag in de zestiende eeuw in het klooster van Sint-Ireneüs in Lyon. Hij werd rond 1546 voor Robert Estienne gecollationeerd, en in de marge van Estiennes uitgave van 1550 staan de lezingen eruit, gemarkeerd met het siglum β (= nr. 2). Bij Hand. 16 geeft die marge drie varianten, alle drie uit β (bij de tweede overigens in de vorm van ϐ). In de lopende tekst wijst een teken aan waar elke variant thuishoort: een asterisk vóór ἀπέστειλαν, idem vóór Ἀπήγγειλε aan het begin van v. 36 (de toevoeging hoort dus achter ἐκείνους). Bij nr. 3 staat een ander teken voor ῥήματα in v. 38. Het duidt het begin aan van de tekst die deze variant vervangt (ze loopt tot het einde van vers 40 (daar de apostrophe die het einde aanduidt). In de vergelijking zijn de begintekens vervangen door de nummers ①②③.
Een variant geeft alleen wat niet al in de lopende tekst staat of wat vervangen moet worden. Waarna D weer met de gedrukte tekst samenvalt, stopt de marginale variant.
De vergelijking hierboven laat zien dat de marge van Estienne niet volledig is. Buiten de drie varianten wijkt D ook nog af in v. 35 (λεγοντας), v. 36 (και εισελθων; zonder τούτους en ἐν εἰρήνῃ), v. 37 (αναιτειους) en v. 38 (απηγγειλαν, αυτοι σοι). Door/voor Estiennen zijn dus de grote uitbreidingen genoteerd, de kleinere niet. (zou ook onbegonnen werk zijn geweest. D is echt een 'bron apart'). Vreemd is het einde van de laatste variant na καὶ ἐξῆλθον staat, terwijl de vervangtekst al stopt bij αὐτούς. De zin is zo niet af. Codex Bezae heeft και εξηλθαν. Heeft de compilator hier slordig werk geleverd, of de zetter, of Estienne? Bij het comma Johanneum is het gewoon fout.

Binnen de noten is de spelling van D genormaliseerd: εχθες wordt χθές, εσται wordt ἐστέ, εξελθατε wordt ἐξέλθετε. Op één plaats leest de 'echte codex Bezae' iets anders dan in Estienne's variant: in v. 39 heeft D μηποτε παλιν συνστραφωσιν ημειν, de variant die Estienne biedt, leest μήποτε πάλιν συστραφῶσιν ὑμῖν.
Canter: overschrijven en aaneenschrijven
Canter beschrijft zijn werkwijze in het Ad lectorem achter zijn variantenlijst (zie Canters praefatio en Ad lectorem). Hij werkte met een Grieks exemplaar van de gangbare editie, “dat onder meer ook met de Complutensische codex was vergeleken” (vulgatae editionis exemplari Graeco … quod etiam cum Complutensi codice inter alios fuerat collatum): Estiennen 1550 dus. Als algemene regel geeft hij dat hij drie soorten lezingen weglaat: lezingen die precies hetzelfde betekenen (quæ vel idem prorsus valerent), gewone drukfouten (errata duntaxat … typographica) en simpele glossen (glossæ meræ). De rest neemt hij over. Hij presenteert deze driedeling overigens als een benadering, niet als een strikte regel: het gaat om “vrijwel alle” zulke lezingen (ferè … omnes), en dat hij die “meestal” weglaat (plerunque omitteremus). Dat geeft speelruimte.
Bij Hand. 16 is opnieuw de totale afhankelijkheid van Estienne 1550 opvallend: alles wat Canter geeft, staat in Estiennes marge. Hij neemt de varianten over en zet ze bij de versnummers in zijn lijst. Daar knoopt hij ze vast aan een woord uit de gedrukte tekst (γενομένης, ἐκείνους, τοὺς ἀδελφούς), maar noemt geen bron of siglum.
| Vers | Estienne 1550, marge | Canter |
|---|---|---|
| 35 | ① συνῆλθον οἱ στρατηγοὶ ἐπὶ τὸ αὐτὸ εἰς τὴν ἀγοράν,
καὶ ἀναμνησθέντες τὸν σεισμὸν τὸν γεγονότα ἐφοβήθησαν, καὶ
ἀπέστειλαν τοὺς ῥαβδούχους. β ② οὓς χθὲς παρελάβες. ϐ |
γενομένης συνῆλθον οἱ στρατηγοὶ ἐπὶ τὸ αὐτὸ εἰς τὴν ἀγοράν. καὶ ἀναμνησθέντες τὸν σεισμὸν τὸν γεγονότα, ἐφοβήθησαν, καὶ ἀπέστειλαν τοὺς ῥαβδούχους ἐκείνους οὓς χθὲς παρέβαλες |
| 38–39 | ③ ῥήματα ταῦτα τὰ ῥηθέντα πρὸς τοὺς στρατηγούς. οἱ δὲ ἀκούσαντες ὅτι Ῥωμαῖοί εἰσιν, ἐφοβήθησαν. καὶ παραγενόμενοι μετὰ φίλων πολλῶν εἰς τὴν φυλακήν, παρεκάλεσαν αὐτοὺς ἐξελθεῖν, εἰπόντες, Ἠγνοήσαμεν τὰ καθ᾽ ὑμᾶς, ὅτι ἐστὲ ἄνδρες δίκαιοι. καὶ ἐξαγαγόντες παρεκάλεσαν αὐτούς, λέγοντες, Ἐκ τῆς πόλεως ταύτης ἐξέλθετε, μήποτε πάλιν συστραφῶσιν ὑμῖν, ἐπικράζοντες καθ᾽ ὑμῶν. | [39] καὶ παραγενόμενοι μετὰ φίλων πολλῶν εἰς τὴν φυλακήν, παρεκάλεσαν αὐτοὺς ἐξελθεῖν, εἰπόντες, Ἠγνοήσαμεν τὰ καθ᾽ ὑμᾶς ὅτι ἐστὲ ἄνδρες δίκαιοι. καὶ ἐξαγαγόντες, παρεκάλεσαν αὐτούς, λέγοντες, Ἐκ τῆς πόλεως ταύτης ἐξέλθετε, μήποτε πάλιν συστραφῶσιν ὑμῖν, ἐπικράζοντες καθ᾽ ὑμῶν. |
| 40 | (③ vervolg) Ἐξελθόντες δὲ ἐκ τῆς φυλακῆς, ἦλθον πρὸς τὴν Λυδίαν· καὶ ἰδόντες τοὺς ἀδελφούς, διηγήσαντο ὅσα ἐποίησε Κύριος αὐτοῖς, παρακαλέσαντες αὐτούς. β | τοὺς ἀδελφούς, διηγήσαντο ὅσα ἐποίησε κύριος αὐτοῖς παρακαλέσαντες αὐτούς. |
Wat Canter uit Estienne's varianten weglaat, valt onder het eerste criterium: het betekent hetzelfde als de gedrukte tekst. Enkel wat inhoudelijk iets toevoegt, schrijft hij over. [Dat is een vriendelijke analyse, je zou ook kunnen zeggen: de uitbreidingen voegen eigenlijk niets nieuws toe, dus laat maar achterwege]. Maar – en daarop wil ik hier de aandacht trekken – hij schrijft over (of laat overschrijven?) zonder echt te controleren tegen de lopende tekst. Mechanisch zou je kunnen zeggen. Dat leid ik af uit volgende eigenaardigheden :
- Vers 35: twee aparte noten worden één zin. Canter schrijft variant ① en ② gewoon aan elkaar alsof het doorlopende tekst is. ἐκείνους (de kapstok voor nr. 2) staat nu middenin het citaat, terwijl het de kapstok was om de tweede variant aan vast te hangen. Wat in D tussen beide varianten staat (λεγοντας απολυσον τους ανθρωπους) lijkt zo weg te vallen. Zo ontstaat in vers 35 een zin die in geen enkele tekstgetuige staat: ἀπέστειλαν τοὺς ῥαβδούχους ἐκείνους οὓς χθὲς …, waarin als je consequent vertaalt οὓς χθὲς op de ῥαβδοῦχοι slaat en niet op Paulus en Silas.
- Je moet overigens al een serieuze puzzelaar zijn om deze variant te decoderen, d.w.z. te herkennen dat het hier eigenlijk om twee varianten gaat. Het best probeer je dat niet eens. Pak gewoon Estienne 1550 (of een latere herdruk) uit de kast en je snapt het. Dat zegt Canter ook met zoveel woorden in de praefatio en het post scriptum (Ad lectorem).
- Vers 35: een schrijffout. In de lijst staat παρέβαλες voor Estiennes παρελάβες (D παρελαβες): de lettergrepen zijn omgezet, een klassieker
- Vers 38 valt weg of ook niet... Noot ③ begint bij ῥήματα in v. 38, maar Canter laat 'm in vers 39 beginnen. Wat D daar heeft vervangt de gedrukte tekst. Het zegt hetzelfde maar omslachtiger: τὰ ῥηθέντα πρὸς τοὺς στρατηγούς, en οἱ δὲ ἀκούσαντες … ἐφοβήθησαν in plaats van ἐφοβήθησαν ἀκούσαντες. Canter laat het beginnen bij vers 39 met καὶ παραγενόμενοι. Dat de noot eigenlijk in v. 38 begint, blijkt uit zijn lijst niet meer. Daarin wijkt hij dus af van Estienne (en dus van D).
- Of bedoelt hij wat anders. Lastig allemaal. Ik begin hoofdpijn te krijgen.
- Vers 39: de lezingen van de collatie. Canter neemt over wat de noot heeft, ook waar die van D afwijkt: ἐστέ voor εσται, en συστραφῶσιν ὑμῖν waar D συνστραφωσιν ημειν heeft (zie de vergelijking hierboven, en de foto van het manuscript. Geen twijfel mogelijk). Metzger bevestigt ἡμῖν als lezing van D (B. M. Metzger, A Textual Commentary on the Greek New Testament, 2e druk, Stuttgart 1994, p. 400).
Conclusie
Canter schrijft bij Hand 16:35–40 codex Bezae af (d.w.z. uit de tweede of derde hand). Het is de tekst die hij aantrof in de marge van Estienne 1550, waar de lezingen van D staan, die ca. 1546 voor Estienne zijn gecollationeerd. Die marge is zelf al een selectie uit D, met een genormaliseerde spelling en een fout: ὑμῖν voor ἡμῖν. Wat Canter weglaat, voldoet (denk ik) wel ongeveer aan de algemene regel uit zijn Ad lectorem: het betekent hetzelfde als de gedrukte tekst. De varianten heeft hij overgeschreven, of laten overschrijven, en achter elkaar gezet zonder echte controle. Zo komen in zijn lijst de normaliseringen en de afwijking van de collatie terecht, blijft een slip of the pen staan, en wordt in v. 35 een samengestelde zin gevormd die D niet heeft.
Kortom: wie kan hier nog uit wijs worden? En wat voor nut heeft dit?