Canter: theorie en praktijk

Willem Canter (Utrecht 1542 – Leuven 1575)

Canter als editor: theorie en praktijk

Hoe de editor van Aeschylus, Sophocles en Euripides werkte met een vulgata editio, hoe hij zijn ingrepen verantwoordde, en hoe zich dat verhoudt tot zijn lijst van Griekse varianten in de Antwerpse Polyglot. Transcriptie, vertaling en interpretatie gemaakt met hulp van Claude AI.

Theorie: het Syntagma

De ratione emendandi Graecos auctores syntagma verscheen in maart 1566 bij Perna in Basel, als aanhangsel bij Canters Latijnse vertaling van Aelius Aristides. Een vermeerderde editie volgde in 1571 bij Plantijn (64 blz., octavo). In de voorrede van die tweede editie somt hij de auteurs op van wie hij handschriften had gecollationeerd; de tragici staan daar niet bij.

Het is geen handleiding voor het inrichten van een editie, zoals ik eerst dacht, maar een typologie van hoe Griekse teksten corrupt raken. Canter gaat van klein naar groot: verwisselde letters (klinkers en tweeklanken, gelijkende consonanten), afkortingen en ligaturen, foute woordscheiding, omzettingen, weglatingen en toevoegingen, telkens met voorbeeldplaatsen en de correctie. Het geldt als de eerste systematische classificatie van kopiistenfouten en bleef tot in de twintigste eeuw in gebruik. (E.J. Kenney, The Classical Text...(1974))

Praktijk: de tragici

De drie edities bij Plantijn vormen één reeks: Euripides (1571), Sophocles (1579) en Aeschylus (1580). De laatste twee lagen al in 1570 klaar, maar verschenen pas na zijn dood. Ze zijn gelijk ingericht: een Griekse opdrachtbrief, Latijnse prolegomena, de Griekse tekst, korte Notae achterin en een verzameling sententiae.

Een vulgata editio als basistekst

Canter werkte niet met handschriften. Hij nam de gangbare drukeditie (vulgata editio)  als basis: voor Aeschylus Vettori-Estienne (1557);  voor Euripides de Aldina (1503) met Vettori's Electra (1545); voor Sophocles Turnèbe (1553). Hij benoemt expliciet wat hij verschuldigd is aan (his debt) de scholiasten, aan het commentaar van Brodeaus op Euripides (1562), aan de variantenlijsten van Henri Estienne (1568), en aan het onderwijs van Jean Dorat.

Metriek als criterium

Zijn echte vernieuwing was de colometrie. Hij herkende als eerste systematisch de responsie in de koorpartijen, nummerde de verzen per strofe en antistrofe, en toetste zijn ingrepen aan die structuur. Daarvoor vereenvoudigde hij het systeem van Hephaestion tot een handvol eigen typen.

Het verwijssysteem

De tekst blijft de vulgata editio. Waar Canter iets anders voorstelt, staat een cijfer in de kantlijn. Dat cijfer verwijst naar de genummerde noot achterin, met een eigen nummering per stuk. Binnen de koren staan daarnaast de versnummers per strofe; de twee reeksen lopen door elkaar zonder te botsen. De lezer ziet dus steeds de overgeleverde lezing in de tekst en het alternatief in de noot.

De gedrukte handjes in de marge horen niet bij dit systeem, zoals ik eerst dacht, maar staan bij 'wijze spreuken' (ἅπας δὲ τραχὺς ὅστις ἂν νέος κρατῇ; ἐλεύθερος γὰρ οὔτις ἐστὶ πλὴν Διός) en markeren deze. Als sententiae zijn ze achterin het boekje verzameld en vertaald, resp. "Ieder die fris aan de macht is, is hard/streng."; "Niemand is vrij, behalve Zeus."

Aeschylus 1580, pp. 212–213: Agamemnon met kantlijncijfers 41 tot 44
Aeschylus 1580, pp. 212–213 (Agamemnon, slot). Notencijfers 41–44 in de kantlijn; de strofenummers 1–7 binnen de koorpartij.
Aeschylus 1580, pp. 22–23: Prometheus met gedrukte handjes in de marge
Pp. 22–23 (Prometheus). De handjes markeren sententiae, niet tekstkritische plaatsen.

Een vaste schaal van zekerheid

De noten zijn kort en gebruiken een klein, consequent vocabulaire (afgelezen aan de bladzijden hieronder geplakt). De formules zeggen hoe stellig Canter is en wat zijn redeneringen zijn:

Formule Wat ze aangeeft Voorbeeld (Aeschylus 1580)
Rectius … Suidas legit lezing met een getuige, en de bron wordt genoemd Agam. 3: ἀγγάρου πυρός
Videtur scribendum; Puto Aeschylum scripsisse correctie waar hij vrij zeker van is Prom. 3: Λέρνης τε κρήνην
Malim voorkeur Pers. 2: ἀρχῶν, quod eandem vim habet
Malim, si diuinare liceat … vel quid simile uitdrukkelijk als gissing gemarkeerd Sept. 2: ἐπάρχους
Assentior Ioan. Aurato … reponenti overname, met naam van de bedenker Agam. 20, 24, 26, 38, 40, 43
Versus … desideratur; Deest lacune Pers. 6; Agam. 49
Malim sic interpungere voorkeur voor een andere interpunctie Agam. 6, 14
… nec carmen magis quam scholium sapiunt glosse (klinkt meer als spreuk dan als poëzie) Agam. 16
Emendauimus / Enarrauimus … Nouarum Lect. argumentatie staat elders Sept. 3; Pers. 8

Gronden

Een argument staat er niet altijd bij, en dan is het kort. Toch is het repertoire breed:

  • metrum en responsie: ut integer sit versus; metri caussa; tertio strophae huius versu;
  • getuigen: de Suda; de scholia (quantum e scholiis datur conjicere);
  • analogie: sicut παθήματα μαθήματα dicuntur (zoals men zegt: "lijden is leren")
  • parallellen bij Sophocles, Euripides via Stobaeus, en Aeschylus' eigen taalgebruik;
  • verwijzing naar eigen werk: de Novae Lectiones, met boek en hoofdstuk.

Wat hij zelf toevoegt, markeert hij als toevoeging. Bij de Choephoren ontbreekt in de handschriften het begin. Canter vult deze proloog aan vanuit Aristophanes' Kikvorsen en meldt dat netjes: in Ranis Aristophanes, in qua comoedia cum Euripides Aeschyli prologos examinat. Ook de hypothesis (inleiding) en het personenregister (spelerslijst) kondigt hij aan als iets aparts, dat best vooraf wordt geplaatst (Haec igitur praeponenda sunt).

Notae in Prometheum, Septem, Persas, Agamemnonem
Pp. 344–345: Notae bij Prometheus, Zeven tegen Thebe, Perzen en het begin van Agamemnon.
Notae in Agamemnonem 7–39
Pp. 346–347: Agamemnon 7–39, met de reeks Assentior Aurato.
Notae Agamemnon 40–49 en begin Choephoroi met de aangevulde proloog
Pp. 348–349: Agamemnon 40–49, en de aanvulling van de Choephoren vanuit de Kikvorsen.

Kanttekeningen

Mund-Dopchie (De Gulden Passer 66–67, 1988–89) oordeelt dat het belang van zijn bijdrage voor de editie van de tragici onmiskenbaar is, maar niet zonder toetsing kan worden overgenomen. Hij herstelde veel, maar belastte de tekst ook met onnodige correcties, vooral waar hij 'inhoudelijk' (betekenis) redeneerde zonder de handschriften te kennen. Scaliger verweet hem dat hij suggesties van anderen gebruikte zonder dat te zeggen. [onze steekproef bevestigde dat niet, maar is maar een steekproef. Dorat, zijn belangrijkste bron, wordt telkens genoemd.]

Steekproef: heeft hij stil ingegrepen?

In zijn brief aan Crato (Euripides 1571) zegt Canter dat hij wat hij onbetwistbaar achtte direct in de tekst zette, en wat twijfelachtig was in de noten. [De Polyglot pendant: heeft hij de Griekse tekst geëmendeerd? Heeft nog nooit iemand dat onderzocht? Reuss?] Bij de tragici: Zijn er ingrepen in de tekst zonder kantlijncijfer? Daarvoor moet je dus de vulgata editio (Vorlage) vergelijken met zijn editie. Iets te vergaand in dit geval. Enkel een toets voor het slot van de Agamemnon: Dat is vergeleken met het apparaat van Wecklein (Berlijn 1885), dat lezingen op naam toeschrijft - tip van Claude AI. (Weckleins versnummers wijken af van de standaardtelling).

Wecklein Apparaat Tekst 1580 Kantlijn Noot
294 ἀγγάρου Canter ex Etym. M. vulgaat 3 Rectius ἀγγάρου πυρὸς Suidas legit
1566 ἐνέβης Canter: ἐνέβη libri ἐνέβη 41 Videtur scribendum ἐνέβης
1574–75 μοι Canter: μοι δ' libri ἀπόχρη μοι, δ' ἀλληλοφόνους 42 Videtur scribendum κἀλληλοφόνους
1579 ἄγη Auratus: ἀχῆ libri vulgaat 43 Assentior eidem & heic ἄγη reponenti
1599 ἀμπίπτει Canter: ἂν πίπτει libri ᾤμωξεν ἄν, πίπτει δ' 44 Versum hunc ita lego, ᾤμωξεν. ἀμπίπτει δ' …

Bij v. 1574 leek eerst sprake van een stille emendatie, omdat Wecklein het schrappen van δ' aan Canter toeschrijft en er geen eigen noot bij staat. Maar de tekst van 1580 heeft gewoon μοι, δ', en noot 42 lost dezelfde moeilijkheid op met κἀλληλοφόνους (καί in plaats van δ'). Wecklein heeft die ene noot in twee lemmata gesplitst.

Bij ἀγγάρου noemt Wecklein het Etymologicum Magnum als Canters bron, terwijl Canter zelf de Suda noemt. Beide hebben de glosse.

Wecklein 1885, pp. 330–331, apparaat met Canter-lezingen
Wecklein, Aeschyli fabulae I (1885), pp. 330–331: Canter bij 1566, 1574 en 1599.
Wecklein 1885, pp. 268–269, apparaat bij 294 ἀγγάρου Canter
Pp. 268–269: ἀγγάρου Canter (W. 294 = Agam. 282).

In dit fragment heeft Canter de tekst dus niet aangeraakt. Elk voorstel staat in een genummerde noot, naast de overgeleverde lezing.

De steekproef is wel heel klein: een slotgedeelte van één stuk. Of hij elders, bijvoorbeeld in de Euripides met de lezingen van Estienne en Brodeau, wel stil in de tekst ingreep, is hiermee dus helemaal niet beslist.

De Polyglot: wat hij aanbiedt

In de Biblia Regia leverde Canter de Variarum in Graecis Bibliis lectionum libellus (Apparatus, 1572): een lijst van varianten bij de Griekse tekst, met een praefatio vooraf (Septuaginta) en een Ad lectorem achteraf (Nieuwe Testament), gevolgd door de Leuvense approbatie. Volledige tekst, facsimile en vertaling: Canters praefatio en Ad lectorem.

Praefatio (Septuaginta)

  • Oorzaak van de varianten: het aantal vertalers (interpretum numerus). Hij beroept zich op Epiphanius' zes vertalingen en op Hiëronymus' klacht dat de tekst van de Zeventig laceratum atque inuersum is.
  • Selectie: een middenweg. Hij noteert alle lezingen die overeenstemmen met de vertaling van Hiëronymus, plus enkele andere die ter zake leken. Triviale verschillen (ἤλθοσαν voor ἦλθον, καὶ τοῦτο voor τοῦτο δέ) en eigennamen laat hij weg.
  • Bronnen: twee banden. Een Octateuch manu satis antiqua, geleverd door D. Clemens Anglus (zie Dunkelgrün), en de Duitse editie van de Griekse Bijbel (zie Dunkelgrün) met in de marge collaties uit twee Vaticaanse codices, uit de bibliotheek van Granvelle. Die marge verbetert volgens hem vaak eerder drukfouten dan dat ze varianten geeft.
  • Principe: alleen wat uit handschriften komt (ea, quae de scriptis prolata sunt libris) neemt hij op in zijn variantenlijst. De Duitse editie en de Aldina vergeleek hij niet met elkaar; wie dat wil, kan het zelf, want die edities zijn in ieders handen (vrij verkrijgbaar).
  • Sigla: geen teken voor wat uit één bron komt; V voor wat in de Octateuch alleen uit de Vaticaanse codices komt; C. V. voor wat in beide staat. [C= Clemens Anglus]
  • Slot: alles onderworpen aan het oordeel en de censuur van de Roomse Kerk.

Ik heb hier geen steekproeven gedaan, want beheers de materie van de LXX niet.

Canter, praefatio bij de Variarum in Graecis Bibliis lectionum libellus
Biblia Regia, Apparatus: titel en praefatio van Canters lijst.

Ad lectorem (Nieuwe Testament)

  • Doel: de lezer helpen, niet hinderen (adiumento lectoribus esse, non impedimento).
  • Weggelaten: lezingen die precies hetzelfde betekenen (ἐποίει voor ἐποίησε, Luc. 3), louter drukfouten (ὑποπιάζω voor ὑπωπιάζω, 1 Kor. 9) en louter glossen (προσέταξεν voor συνέταξεν, Mat. 26), cum praesertim aliunde quoque peti illae possent.
  • Bron: een Grieks exemplaar van de gangbare editie (vulgatae editionis exemplari Graeco), certis de causis gebruikt, dat cum Complutensi codice inter alios was vergeleken. De vergelijkingen bij Handelingen 16 en Apocalyps 22 wijzen op Estienne 1550 en diens marge-apparaat.
  • Het enige oordeel: staat een genoteerde variant in de Complutensische tekst zelf, dan bevestigt die de tekst, omdat die lezing boven de andere werd verkozen.
  • Slot: opnieuw de censuurformule. De approbatie is gedateerd Leuven, 19 november 1571 (Hunnaeus, Reyneri Goudanus, Harlemius).
Canter, Ad lectorem en Leuvense approbatie
Ad lectorem en de approbatie van 19 november 1571.

Vergelijking


Tragici (1571–1580) Polyglot (1572)
Basistekst gedrukte vulgaat gedrukte vulgaat (NT: Estienne-exemplaar; LXX: Duitse editie)
Wie stelt de tekst vast Canter niet Canter; de tekst van de Polyglot ligt elders vast (NT: Complutensis)
Handschriften geen wel, maar uit tweede hand: collaties in de marge van gedrukte exemplaren
Verwijzing kantlijncijfer en genummerde noot lijst per boek, hoofdstuk en vers, los van de tekst
Oordeel per plaats ja, met een vaste schaal van zekerheid nee
Grond per plaats vaak: metrum, getuige, analogie, parallel nooit
Conjectuur ja, als zodanig gemarkeerd uitgesloten: alleen de scriptis libris
Herkomst Dorat, Suda, scholia bij naam LXX: Clemens en Granvelle genoemd, met sigla; NT: bron certis de causis verzwegen
Foutleer actief, als grond voor emendatie alleen als filter: equivalenten, drukfouten en glossen worden weggelaten
Gezag de editor de Kerk (censuurformule, Leuvense approbatie)

Conclusie

Bij de tragici is Canter een emendator met een helder en controleerbaar systeem. De tekst blijft de vulgaat, het kantlijncijfer wijst de plaats aan, de noot geeft het voorstel met een vaste maat van zekerheid, vaak een grond, en de naam van wie het eerder voorstelde. In de steekproef greep hij niet stil in de tekst in.

In de Polyglot is hij een collator die selecteert. Zijn foutleer is er wel: de drie categorieën die hij in het Ad lectorem weglaat (gelijkwaardige vormen, drukfouten, glossen) zijn categorieën uit het Syntagma. Maar hij gebruikt ze alleen om te filteren, niet om te oordelen. Het selectiecriterium voor de Septuaginta, overeenstemming met Hiëronymus, is bovendien een criterium van relevantie voor de Latijnse traditie, geen tekstkritisch criterium.

Het enige oordeel dat hij in het NT uitspreekt, wijst één kant op: een variant die met de Complutensis overeenstemt, bevestigt de gekozen tekst. Verder zwijgt hij, en legt hij alles voor aan de Kerk.

Dat zwijgen is dus geen gebrek aan methode. Canter kon een lezing wegen en verantwoorden, en deed dat bij Aeschylus vanzelfsprekend. In de Biblia Regia liet hij dat bewust na, of het werd hem niet toegestaan.

Montano en Canter

In de algemene praefatio van deel I prijst Montano Canter, maar in zeer algemene bewoordingen. In zijn praefatio bij De varia in Hebraicis libris lectione, ac de Mazzoreth ratione atque usu (Apparatus, gedateerd Antwerpen, Idibus Ianuariis 1572) noemt of citeert hij Canter niet. Wel loopt zijn redenering om de verschillen in de Hebreeuwse tekst te verklaren parallel met die van Canter: variatie door uitspraak, en verwisseling van letters door gelijkenis in klank of in vorm (vel pronuntiationis affinitate, vel figurae similitudine). Meer is er niet vast te stellen.

Na Canters dood: de paragones in novum testamentum

Canter stierf in mei 1575 in Leuven. Op 29 oktober 1575 schrijft Plantijn aan Arias Montano (brief 664):

Theodorico Cantero defuncti Guillelmi fratri et hæredi unico scripsi ut fratris paragones in novum testamentum præcipue colligeret et nobiscum communicaret. Si quid responderit indicabo.

“Aan Theodorus Canter, broer en enige erfgenaam van de overleden Willem, heb ik geschreven dat hij vooral de paragones van zijn broer bij het Nieuwe Testament moest verzamelen en ons toesturen. Als hij antwoordt, laat ik het u weten.” De uitgever van de correspondentie (Rooses/Denucé) geeft dit weer als “les travaux de ce savant sur le Nouveau Testament”.

Met paragones bedoelt Plantijn tekstcollaties: vergelijkingen van lezingen. In Canters uitgegeven notae komen geen bijbelse boeken voor. Plantijn vraagt dus naar onuitgegeven collatiemateriaal bij het NT. Dat kan het werkmateriaal zijn achter de variantenlijst in de Polyglot, of materiaal dat daarnaast bestond. In beide gevallen suggereert de brief dat er meer NT-materiaal van Canter was dan in de Variarum in Graecis Bibliis lectionum libellus is opgenomen. Of Theodorus antwoordde en wat er van dat materiaal geworden is, is niet bekend.