Ida Gerhardt
   
Home
Up
J.W. Schulte Nordholt
Toon Tellegen
Gerrit Achterberg
Paul Gerhardt
Petrarca
T.S. Eliot
Wallace Stevens
Herbert's Temple
Ida Gerhardt
Nijhoff - het licht
Victor Hugo
Charles Péguy
Franz Kafka
Revius
sprokkels

 'Is dichten slechts aandachtigheid?'

Hieronder vindt u een selectie van gedichten van Ida Gerhardt. Het is niet meer dan mijn prive-selectie uit haar Verzameld werk.
- commentaar en iets meer over haar dichtwijze bij het gedicht: RADIOBERICHT
- toelichting bij De hovenier

Voor de rest geldt :
lezen, lezen en nog eens aandachtig lezen...

Dick Wursten

 

KWATRIJN I

's Nachts wakker in het uitgestorven huis
hoorde ik het bezig water van de sluis.
Toen riep men mij met name - twee, drie maal.
Een slaan van luiken en een groot geruis.

(uit 'Kwatrijnen in opdracht'1948)



KINDERHERINNERING

Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.

(uit 'het levend monogram' 1955) 


 

ZUM TODE

Soms laat gij mij een eb en vloed alleen.
Uren vergaan met schrijven in het zand.
Zo weer ik mij, krijsvogels om mij heen,
vergankelijk, uitgestoten aan de rand
der aarde. - Water komt en gaat, het strand
ligt nat en gladgewist gelijk voorheen.

(uit: Het levend monogram, 1955)


ιχθυς

[titel: in Griekse letters: Ichthus = vis]

De vis, getrokken door mijn hand
en èven vrij nog van de golven,
zal straks gewist zijn van het strand
en door de grote vloed bedolven.
Maar in het water, dat hem nam
zwemt levende het Monogram.
Geheime trek van tij en maan:
Hij zal op alle kusten staan.

(uit 'Het levend monogram' 1955)

 

 
RADIOBERICHT

Te Grave beneden de sluis
voorbij de zware deuren
mag mij het water sleuren
en kantelen met geruis.
- Grave beneden de sluis.

'Wij geven de waterstand.'

O God, hoe kon het gebeuren -
gesloten het venster, de deuren,
gebannen uit liefde en huis.
- Grave beneden de sluis.

'Wij geven de waterstand.'

Grave, dat is groen land
en water, dat draagt mij thuis.

'Grave beneden de sluis.'
Grave, beneden de sluis.

(uit: Het levend monogram, 1955)
 

Ida Gerhardt (11/05/1905 – 15/08/1997) hoorde eigenlijk nog bij de generatie Achterberg/Nijhoff. In kerkelijke kring is zij vooral bekend vanwege haar berijming van de Psalmen (samen met Marie van der Zeyde). Ze had er speciaal Hebreeuws voor geleerd. Bij de verkiezing van het 'meest favoriete Nederlandse gedicht’ (mei 2000) eindigde een gedicht van haar ‘De gestorvene’ op de derde plaats. ‘Receptief durven zijn, zonder vrees’, zo karakteriseerde Ida Gerhardt zelf de omgang met poëzie.

Wat mij in haar gedichten aanspreekt is precies die ontvankelijke houding ten opzichte van het leven zèlf. Beelden die ze zag, geluiden die ze hoorde, woorden vooral, konden haar plots aangrijpen; Ze kon er door worden stilgezet om vervolgens vol verbazing, verwonderd, er heel andere dingen in te horen, in te zien, ongeziene dingen, ongehoord. Dat was haar talent, haar dichterschap. Zij ervoer het als haar roeping om die wonderlijke tekenen te verstaan, de signalen op te vangen van een wereld die tegelijk wel en tegelijk niet van deze wereld is. En dan te proberen die te decoderen en ze te vatten in gedichten. Dit proces van transformatie van een ogenschijnlijk gewoon gebeuren tot een zeer betekenisvol en zinrijk verhaal, fascineert mij bij Ida Gerhardt. Iets heel gewoons wordt door haar opgevangen, een beeld van een jong kalf in de wei, een vreemd woord, het geluid van water in de sluis, ja het kan zelfs een radiobericht zijn (de waterstand) en dan is er een ‘clic’; Wat ze ontvangen heeft verbindt zich met iets in haar ziel, het ongehoorde begint te groeien en zoekt een uitweg in een gedicht. Daar geeft het zijn geheimenis prijs, daar wordt wat verborgen was geopenbaard. Maar pas op, ook verwoord (gevat in de code van de taal) blijft het een geheimenis. En de lezer zal even ontvankelijk moeten zijn als hij het gedicht leest, als de dichteres toen zij het schreef - of beter: ‘kreeg’.

Kijk, hoe ze in één van mijn favoriete gedichten op een zondagmorgen - gewoon - het zonlicht heeft gezien en hoe even later sabbatsvrede het hele huis vervult...

ZONDAGMORGEN

Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.
Je hebt het witte kleed gespreid
en grassen in een glas gezet.
Dit is de dag waarop de arbeid rust.
De handpalm is geopend naar het licht.

(uit 'De hovenier' 1961)

 

Rembrandt. Christus de hovenier

CHRISTUS ALS HOVENIER
Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was de hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en - wat terzijde - in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud --
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

 

 

(uit 'De hovenier' 1961)


toelichting:
Groot geworden zou Ida natuurlijk hebben kunnen zeggen: Ach dat was fout (Toen was ik een kind, dacht ik als een kind... nu heb ik  afgelegd wat kinderlijk is.....1 Kor 13). Natuurlijk. Ze weet nu beter. Idaatje heeft zich net als Maria vergist en Rembrandt ook. Maar: Rembrandt wist wel wat hij deed. Hij heeft ‘de fout’ laten staan. Of is het geen fout misschien ? Is het geen vergissing, maar openbaring van een diepere soort ? De kunstenaars (Ida Gerhardt, Rembrandt en vele anderen !!) met hun 6de zintuig roepen ons toe: Luister nog eens goed naar dat verhaal. Zeg niet te gauw: Ik weet beter. Kijk nog eens goed naar het tafereel. Laat u de hovenier niet afnemen. Jezus was wel niet de hovenier, maar hij is het wel (laatste couplet)... (meer info over het thema van de Hortulanus in de schilderkunst en in de oudkerkelijke exegese)

 


DE GESTORVENE

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan -
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

(uit 'De Slechtvalk' 1966)

 

VERNOMEN TIJDENS EEN ONWEER

Vijf vuurstenen gaf ik u in de hand:
een harde jeugd, die ziel en ribben treft,
een sterk talent, in eenzaamheid beseft:
aanstoot blijft het voor vrienden en verwant.
Het ongeëerd zijn in uw eigen land.
Dat zich de minste boven u verheft.

Vijf oerstenen: vijf kansen die ik gaf.
Mijn wet is: kwarts of kwarts en hard op hard.
Vuur schuilt in stenen, van de schepping af.
Het slaapt tot het wakker wordt getart.





PASEN

Een diep verdriet dat ons is aangedaan
kan soms, na bittere tranen, onverwacht
gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,
op Paasmorgen, zéér vroeg nog op den dag.
Waar onderdijks een stukje moestuin lag
met boerse rijtjes primula's verfraaid,
zag ik, zondags getooid, een kindje staan.
Het wees en wees en keek mij stralend aan.
De maartse regen had het 's nachts gedaan:
daar stond zijn doopnaam, in sterkers gezaaid.

(uit 'Vijf vuurstenen' 1974)


 
BIOGRAFISCH I

De taal slaapt in een syllabe
en zoekt moedergrond om te aarden.

Vijf jaren is oud genoeg.
Toen mijn vader, die ik het vroeg,

mij zeide: 'dat is een grondel',
- en ik zág hem, zwart in de sloot

legde hij het woord in mij te vondeling,
open en bloot.

Waarvoor ik moest zorgen,
met mijn leven moest borgen:

totaan mijn dood.

(uit 'Vijf vuurstenen' 1974)
 
 

 

DE AFDALING

Op de Elisabeth van Maasbracht
heb ik gevaren, drie nachten drie dagen;
trappen van water daalden wij af.
Veertig meter gaat het omlaag
vanaf Maastricht tot Grave.

Met de Elisabeth van Maasbracht.
Sterk is het ancestrale, het water:
trappen van water dalen er af
tot in de dood en zijn krochten omlaag,
's nachts, als de dromen ontwaken.

Op de Elisabeth van Maasbracht -
schaduwen, raadselen, wolkengevaarten;
trappen van raadselen daalde ik af:
zeventig jaren ben ik gesmaad
door wie één naam met mij dragen.

Met de Elisabeth van Maasbracht
rijzend en dalend nog laat in de sluizen
- trappen van water daalde zij af -
meerden wij. Het was stil op de kade,
wit was om de lantarens de mist.

'Als alle tranen zijn afgewist'
staat er in de Openbaring.

(uit 'Het sterreschip' 1979)

 

HET HEMELS WELKOM

Met stralend weer gegaan,
met regen thuis gekomen,
om straks met zware zomen
nat op de mat te staan.

Met hoofdschuddend vermaan
wordt men nog aangenomen.
Zo stralend uitgegaan,
zo druipnat thuis gekomen.

Nu 't welhaast is gedaan
heb ik zo schone dromen:
Ik klop: ik hoor met schromen
het zware slot omgaan.
'Met stralend weer gekomen!'

(uit 'Het sterreschip' 1979)

 

HET VOLMAAKTE

Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn één, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand er mee speelt.

Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.

Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ik zijn onschuld nu ten val?
Of ben ik blind? – Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.


(uit 'De zomen van het licht' 1983)

twee opmerkingen:
1. zilveren bal = verzilverde luchtballon, veel groter dan gewone, zeer populair in de jaren ’20 (nu weer terug in allerlei vormen en bonte kleuren)
2. In de schilder- en beeldhouwkunst wordt het kindeke Jezus wel afgebeeld op de schoot van zijn moeder met de wereldbol in zijn handen. Primitief noemen wij dat vaak, maar dat is het natuurlijk niet. Het is enkel hoogst symbolisch. Het zegt duidelijk dat daar niet zomaar het zoveelste kindje geboren is, maar dat het lot van de wereld zal blijken met het leven van dit kind verbonden te zijn.

 


KARAKTER


Wanneer ik eenmaal mijn pensioen zal halen
en 't stadje làten, waar ik leraar was,
dan zal, als ze mijn gage uitbetalen,
mijn hart zijn overstempeld als een pas.

Het kleinste kind zette er initialen,
zijn onuitwisbaar merk iedere klas;
soms tekens, die geen sterveling zal vertalen.
'Χαρακτήρ', kinderen, betekent: 'kras'.

Het zij zo - Maar ik raak in alle staten,
als paedagogen zo hartroerend praten
van wat één leraar aan de kinderen geeft.

Zo God het wil, zet hij in alle klassen
zijn stempel - mooi of lelijk - in de passen:
maar het is hij, die duizend stempels heeft.

(Uit: 'Sonnetten van een leraar')

 


 

 

This site was last updated Friday, 01 June 2018