Zomaar wat

   

Home
Up
Footprints
Hemelvaart
Actief pluralisme
Holy ignorance
kerk, seks en huwelijk
euthanasie
(homo-)huwelijk
Vergeven
'sleutel-slot' relaties
Kierkegaard
het transcendente
notities over religie
Openbaring?
Leve de Mythe
Fundamentalisme
Michelle Martin
Zomaar wat

Zomaar wat, of 'Hoe niet over God te spreken'

Over het leven als ?wonder?, over een ?rest?, over ?God?, over niets dus...

 

1. wonder

Geloof en leven zijn niet los van elkaar verkrijgbaar. Dat is mijn basisovertuiging. Je kunt gelovig zijn of ongelovig zijn, in beide gevallen heeft dat z?n gevolgen voor de manier waarop je in het leven staat, voor wie je ?bent?, filosofisch gezegd: het kwalificeert je zijn. Voor mij heeft het te maken met iets wat ik nog nooit beter heb horen verwoorden dan in dit kleine gedichtje van A. Marja:

            Wij leven allen in het Wonder.

            Als wie slaapwand?lend droomt te waken,

            lopen we ons droomwijs te maken,

            dat ?t leven gewoon is,

            maar ?t is bijzonder.

 

Voor mij is de ?visie op het leven? die dit gedicht verwoordt het eerste mysterie van het geloof. Dat ik besef, hoe bijzonder het is dat ik l?f, dat ik er b?: dat is het begin van geloven. Dat kwalificeert mijn ?zijn?. Aan die overtuiging vast te houden (ook dwars tegen veel in dat er tegen spreekt), is voor mij de oerwerking van het geloof. Wat een voorrecht is het om er simpelweg ?te zijn?, te mogen l?en (niks bijzonders, niks erop en eraan, gewoon puur: l?en met de mensen en de dingen om je heen): meer moet dat niet zijn! Het tegenovergestelde van een gelovige is voor mij dus niet athe?t, maar een nihilist (= iemand, die ontkent dat ook maar iets zin heeft, inclusief zijn eigen bestaan). Iedereen die met mij op de bres wil staan voor de bescherming van dit mysterie is mijn partner, vindt in mij een bondgenoot: Jood, humanist (incl. niet-nihilistische athe?ten), boeddhist, moslim....

Er is meer tussen hemel en aarde dan de menselijke ratio zoals die gewoonlijk wordt gebruikt kan bevatten. De schuin gedrukte bepaling bij ?ratio? is voor mij wel essentieel, want ik meen dat wij de mogelijkheden van onze veelzijdige rationaliteit lang niet ten volle benutten. Misschien kunnen we beginnen met ons oordeel over veel zaken eens op te schorten, vanuit de idee dat we veel dat wel belangrijk is nog niet goed hebben "vernomen".[1]  Maar, voor we ons in speculaties verliezen ? terug naar onze basispositie ? geloven speelt zich af in het leven.Zo is er in elk geval zeker meer tussen mensen dan de economische wetmatigheden van onze maatschappij kunnen regelen...

De uitwassen van het functionaliteitsdenken, bijv. het gefixeerd zijn op prestaties, performativiteit, of iets minder abstract: de obsessie met groei en de heiligverklaring van hebzucht: zij verstikken het geheim, het wonder... Daar is werk aan de winkel, voor ieder die gelooft dat er nadat we alles wat we weten en kunnen hebben benoemd het meest wezenlijke over de mens nog niet gezegd is.

 

2. er is een rest...

In het economisch productie- en consumptie proces, het ?systeem?, zijn we een schakeltje in de keten. Binnen de evolutie van de wereld en de ?soort? mens zijn we een schakeltje in een eindeloze keten. In het eindeloze heelal zijn wij een stofje, meer niet. Maar er is een rest... We kunnen het niet accepteren, dat dit alles is, dat ons leven slechts betekenis heeft als elementje in het systeem. We blijven opstandig. We blijven ongelovig, we blijven ons verzetten. En wel omdat het verlangen ons drijft naar het verrukkelijke van het leven, niet het virtuele maar het echte leven, en omdat we de tragedie van het onschuldig lijden niet kunnen accepteren. Het is misschien maar een kleine rest, een vonkje onder de as, maar het is er. Als we ons verlangen volgen en de echte glans van het leven zoeken, dan kunnen we niet accepteren dat er geen ander laatste woord zou klinken, ooit. In de huidige maatschappij wordt dat diepe verlangen geneutraliseerd door de verlangensmachines van de moderne media, die het verlangen stiekum transformeren in een behoefte die kan worden bevredigd, en zelfs meteen, waarna het verlangen hopeloos en sprakeloos achterblijft. Opkomen voor dat verlangen, strijden tegen het leegzuigen ervan door verlangensmachines middels snelle behoeftenbevrediging vind ik een basisbezigheid van het geloof. Dat is een spiritualiteit van verlangen en verzet.., een zaak dus ook om het stille en stemmeloze te beschermen tegen de tirannie van de hardstroepende. [2]

 

3. bijbel

Dat is natuurlijk nog erg algemeen allemaal, meer een bepaalde spiritualiteit, religiositeit dan een geloofsovertuiging. Een protestant - zoals ik - zou geen protestant zijn als de bijbel er geen rol in zou spelen. Dat klopt, want de bijbel gaat daar ook over volgens mij, dat wil zeggen: over alles, want geloof en leven... afin, u weet het inmiddels wel. De Schrift (en dus dat levendige gedoe vol verlangen en verzet, menselijk, al te menselijk, waar de bijbel vol van is) heeft een centrum, beter een gravitatiepunt, en dat is voor mij de passie van Jezus van Nazareth. Hij is de Christus, zoals de Griekse vertaling van de Joodse titel Messias luidt [hoort u hoeveel verlangen er in dat woord zit] Leven in zijn g(G)eest, je verlangen laten resoneren met zijn passie, je verzetten als acte van vertrouwen, dat is voor mij ?geloven dat Jezus de Christus? is, of in ?n zinswending: ?geloven in Jezus Christus?.

Het gaat mij bij al mijn filosofische belangstelling dus als christen niet om

-           een of andere abstracte filosofische waarheid

-           een hoeveelheid dogma?s (groot of klein), die geslikt moet worden

-           een bepaalde moraal die je moet aannemen

-           een bepaalde kerk waar je lid van moet zijn

neen, het gaat over en draait in mijn geloof om ?leven en sterven? en wat daarin, daarbij, daartegen, ?Christus? te zeggen heeft. Mijn verdere Godsbeeld is vaag; het wil zich niet losmaken van het verhaal dat in de bijbel verteld wordt en het wil al helemaal niet samenvallen met enig officieel beeld dat mij later is bijgebracht. De Naam van God is heilig, en wordt niet uitgesproken, wel aangeroepen. Geen gesneden beeld, ook niet in de taal. Geen beeld, geen naam. Maar wat er wel is en blijft is een hardnekkig gecultiveerd vermoeden dat het bestaan van de wereld en van de mensen niet een platvloerse en totaal vanzelfsprekende aangelegenheid is, waarover ooit het laatste woord gezegd kan worden.

 

4. G?d

Comment ne pas parler? ?Hoe niet te spreken over G?d?? Derrida schrijft dat het eigenlijk onmogelijk is over God te spreken. Het ?onderwerp? is onuitsprekelijk [en kan eigenlijk nooit ?onderwerp? zijn], en daarom is elke uitspraak over God ? hoe waar ook ? ook een leugen. Ik probeer om ? als ik over G?d spreek ? zo weinig mogelijk ?God? te zeggen. Anders gezegd: in mijn theologie is de plaats van God leeg, en in mijn existentie manifesteert Hij zich vanuit een niet-zijn (Wat bedoel je? Wees eens concreet! Nou, een verhaal bijvoorbeeld). Waarom doe ik zo moeilijk? Ach, de realiteit waar ooit de drie letters g-o-d naar verwees, die is zo goed als verdampt in West-Europa. En wat overblijft vervult me niet met enthousiasme: in het dominante discours van degenen die zich 'echte gelovigen' noemen, is de oude G'd geketend, machteloos gebonden aan de letter van een oud boek. Men gebruikt zijn naam vooral om menselijke claims te versterken door ze ontegensprekelijk te maken (fundamentalisme) en zich niet te hoeven bezig houden met het complexe en ambigu?dat alle menselijke activiteit nu eenmaal kenmerkt: Holy ignorance. Een angstig vermoeden heb ik: dat wij gelovigen, en met name de protestanten, veel te veel over God gepraat hebben: wat weten we veel over God, boeken vol hebben we geschreven. Het is me steeds meer als geklets in de oren gaan klinken. Een poging om door middel van beroep op een hoger gezag de eigen macht en invloed te versterken en te ontsnappen aan echte bestaansverantwoording. Daarom gebruik ik het woord niet graag meer. 

 

Vooruit: als ?G?d? nog enige betekenis heeft, dan is het voor mij de aanduiding van het raadsel van ons bestaan, het wonder ten diepste. Het geheim, dat samenhangt met de zin van het leven, een geheim waarover het past met huivering te zwijgen. Ik laat zijn plaats leeg, zoals het Heilige der Heiligen in de tempel van Jeruzalem leeg was, zeker na de ballingschap toen zelfs de ark verdwenen was. Alle Godsbeelden, ook de bijbelse, zijn projecties op dat grote voorhangsel, dat het allerheiligste afsluit. Als Jezus sterft ? rijk d?ail ?  scheurt dat gordijn (Mat. 27:54) en onthult het niets. En dan begint het christelijke geloof pas. Het niets, de leegte, is de plaats van de mogelijkheden, het object van de hoop tegen hoop, dat G?d een plaats vindt, plaatsvindt, gebeurt, al was het maar even. Zo gaat het Evangelie dan ook verder.

 

Om de metafoor nog even vol te houden: De lege ruimte, het niets, de spati?ing maakt de tekens verstaanbaar, maakt inktvlekken tot schrift, en doet het woord geboren worden. Zonder de leegte, zonder het niets, kan geen zin geschreven worden, geen woord gevormd. Zelfs de materie ? zo vertelt men mij ? is er enkel dankzij de leegte tussen de elementaire deeltjes. Ik kom in de verleiding om te spreken over de stilte en de leegte van de woestijn, waarin de thora wordt vernomen, over het geluid van een zachte koelte (niets dus) waarin G?d zich meldt (1 Kon. 19:9‑18), over het beeldverbod (Ex. 20:4), over die merkwaardige zin waarmee Franz Rosenzweig zijn eerste boek van de Stern der Erl?ung begint: ?Von Gott wissen wir nichts. Aber dies Nichtwissen ist Nichtwissen von Gott?.

 


 

[1] Onze waarneming vertekent de realiteit (giet ze in een voor haar waarneembare mal) , evenzo vervormt ook onze ratio datgene wat we waargenomen hebben (vernomen: Ver-nunft). Het basale inzicht van Schopenhauer kan niet genoeg doordacht worden, nl. dat de wereld op twee manieren aan ons verschijnen (nl. zo zoals we hem ons voorstellen en overdenken en analyseren ? een dood ding buiten ons dus (die Welt als Vorstellung); en direct onbemiddeld en on-overdenkelijk omdat wij er niet buiten staan, maar er deel van uitmaken ? als een geweldige drive, een machtige gebeuren, in het Duits: als Wille). Kant had het eigenlijk allemaal al gezien: we kunnen levende systemen (bijv. de mens) niet op een objectieve wijze kennen. We kunnen enkel proberen die te begrijpen door te doen alsof ze georganiseerd zijn in functie van een doel. Onze mentale onderzoeksopstelling bepaalt hier echter ook onze bevindingen, dus laten we ook die bevindingen nooit voor meer houden dan ze zijn: verbuigingen van alsof.

[2] Deze passage is een tribuut aan Antonie Verheule, pleitbezorger van deze dubbele dialectiek, aan wie ook de laatste paragraaf grotendeels is ontleend. Hij had hierover essenti?e dingen vernomen bij J.F. Lyotard, en deelde die op studiedagen en seminars royaal met velen.

 

 

This site was last updated
 February, 2017