Hoe niet over God spreken...

Home
Up
God?
Brede en smalle weg
Footprints
Hemelvaart
Actief pluralisme
Holy ignorance
kerk, seks en huwelijk
euthanasie
(homo-)huwelijk
Vergeven
'sleutel-slot' relaties
Kierkegaard
het transcendente
notities over religie
Openbaring?
Leve de Mythe
Fundamentalisme
Michelle Martin
Zomaar wat

of 'Hoe niet over God te spreken'

Over het leven als wonder, over een rest, over God, over niets...

 

1. wonder

Het echte geloofsleven speelt zich niet in een klooster af, maar in het dagelijkse leven. Er is uiteindelijk geen ander. Kloostermuren houden de wereld niet buiten, want die zit in het hart. Geloven, God dienen, de ware liturgie... ? Het is een zaak van leven geworden, levensstijl, een levensweg, engagement. Léven is een geloofs­zaak.

 

En dat heeft vele kanten: Mij werd iets hiervan duidelijk toen ik als student onderstaande dichtregels las. Van wie dit gedicht is, wist ik toen niet (vandaag wel: Albert Verwey), maar het heeft een geweldige indruk op mij gemaakt. Het was een 'openbaring':

            Wij leven allen in het Wonder.

            Als wie slaapwand'lend droomt te waken,

            lopen we ons droomwijs te maken,

            dat 't leven gewoon is,

            maar 't is bijzonder.

 

Voor mij is de 'visie op het leven' die dit gedicht verwoordt, het eerste mysterie van het geloof. Dat ik besef, hoe bijzonder het is dat ik lééf, dat ik er bèn: dat is het begin van geloven. Aan die overtuiging vast te houden (ook dwars tegen veel in dat ertegen spreekt), is voor mij de oerwerking van het geloof. Wat een voorrecht is het om er simpel­weg 'te zijn', te mogen léven (niks bijzonders, niks erop en eraan, gewoon puur: léven met de mensen en de dingen om je heen). Meer moet dat niet zijn!

 

Het absolute tegenovergestelde van een gelovige is voor mij dus niet a-theist, maar nihilist (= iemand, die ontkent dat ook maar iets zin heeft, inclusief zijn eigen bestaan)

 

Iedereen die op de bres wil staan voor de bescherming van dit mysterie vindt in mij een partner, Jood, humanist, niet-nihilistische atheist, moslim, ietsist, agnost.

Er is meer tussen hemel en aarde dan de menselijke ratio kan bevatten. En er is zeker meer tussen hemel en aarde, d.w.z. tussen mensen, dan de economische wetmatigheden van onze maatschappij kunnen regelen.

De uitwassen van het functionaliteitsdenken, het gefixeerd zijn op prestaties, performativiteit, of iets minder abstract: de obsessie met groei en de heiligverklaring van hebzucht, zij verstikken het geheim, het wonder. Daar is werk aan de winkel voor ieder die gelooft dat er,  nadat we alles wat we weten en kunnen hebben benoemd, het meest wezenlijke over de mens nog niet is gezegd. [1]

 

Er is een rest...

In het economisch – productie-consumptie proces... het ‘systeem’ zijn we een schakeltje in de keten. Binnen de evolutie van de wereld en de ‘soort’ mens zijn we een schakel in een eindeloze keten.

Maar er is een rest....

We kunnen het niet accepteren, dat dit alles is, dat ons leven slechts betekenis heeft als elementje in het systeem. We blijven opstandig. We blijven ongelovig, we blijven ons verzetten. En wel omdat het verlangen ons drijft naar het verrukkelijke van het leven, niet het virtuele maar het echte, en omdat we de tragedie van het onschuldig lijden niet kunnen accepteren. Het is misschien maar een kleine rest, een vonkje onder de as, maar het is er.

 

Als we ons verlangen volgen en de echte glans van het leven zoeken, dan kunnen we niet accepteren dat er geen ander laatste woord zou klinken ooit.

In de huidige maatschappij wordt dat diepe verlangen geneutraliseerd door de verlangensmachines, waar het wordt getransformeerd in een behoefte, en die kan worden bevredigd,  meteen... waarna het verlangen hopeloos en sprakeloos achterblijft.

 

Opkomen voor dat verlangen, strijden tegen het dichttimmeren ervan middels snelle behoeftenbevrediging vind ik een basis bezigheid van het geloof. Dat is een spiritualiteit van verlangen en verzet, een zaak dus ook om het stille en stemmeloze te beschermen tegen de oorverdovende tirannie van de hardstroepende... [2]

 

2. God

Dat is natuurlijk nog erg algemeen. Meer een bepaalde spiritualiteit, misschien een religiositeit, maar waar blijft God dan? Mijn Godsbeeld is vaag, ik geef het toe; het wil zich niet losmaken van het verhaal dat in de bijbel verteld wordt (en dat is verhaal van Mens-wording) en het wil al helemaal niet samenvallen met enig officieel beeld dat mij later is bijgebracht.

De Naam van God is heilig, en wordt niet uitgesproken, enkel aangeroepen.

Geen gesneden beeld... ook niet in de taal.

 

Geen beeld, geen naam. Maar wat er wel is en blijft is een hardnekkig gecultiveerd vermoeden dat het bestaan van de wereld en van de mensen niet een platvloerse en totaal vanzelf­sprekende aangelegenheid is, waarover ooit het laatste woord gezegd kan worden.

 

Niet over God te spreken, zijn plaats leeg te laten. Derrida schrijft dat het eigenlijk onmogelijk is niet over God te spreken. Als men zegt dat te proberen, heeft men het al reeds gedaan. In mijn theologie is de plaats van God leeg, in mijn existentie vindt Hij plaats in een niet-zijn, een niets. God.  

Wat stelt dat voor, 'god'? De drie letters verloren hun betekenis. Met enige verbijstering zie ik de hedendaagse invullingen van het godsbegrip: een vage het al doordringende geestelijke kracht (New Age), een letterknecht (fundamentalisme). Als het Augustijnse perspectief van de Stad Gods verdwijnt, zijn dit dan de treurige alternatieven?

 

Een angstig vermoeden: Dat wij gelovigen, en met name de protestanten veel te veel over God gepraat hebben. (verbaal). Wat weten we veel over God, boeken vol hebben we geschreven. Het is me steeds meer als geklets in de oren gaan klinken. Een poging om door middel van beroep op een hoger gezag de eigen macht en invloed te versterken.

 

Als het woord 'God' nog enige betekenis wil hebben, dan is het de aanduiding van het raadsel van ons bestaan. Het geheim, dat samenhangt met de zin van het leven, een geheim waarover het past met huivering te zwijgen. Wij komen niet verder dan de absurditeit.

En daarin kan ik tenslotte niet geloven. Daarom ben ik geen atheist. Atheïsme is een platvloerse tweedimensionale denkwijze. Voor mij is de plaats van God leeg, zoals het Heilige der Heiligen in de tempel van Jeruzalem leeg was, zeker na de ballingschap, toen zelfs de ark verdwenen was. En alle beelden van God, ook de bijbelse, zijn projecties op dat grote voorhangsel, dat het allerheiligste afsluit.

 

Als Jezus sterft, scheurt dat gordijn (Mat. 27:54) en onthult het niets. Betekent dat de onontkoombaarheid van de absurditeit? Ik geloof het niet. Het niets, de leegte is de plaats van de mogelijkheden, het object van de hoop tegen hoop, dat God plek krijgt, plaats vindt, gebeurt, al was het maar even. Zo gaat het Evangelie verder: De rotsen scheuren, de graven openen zich. Maar nog vul ik niets in bij het woord God.

 

Om de metafoor nog even vol te houden: De lege ruimte, het niets, de spatiëring maakt de tekens verstaanbaar, maakt inktvlekken tot schrift. Zonder de leegte, zonder het niets blijft slechts een wanhopige implosie van zinloosheid, verstart alles tot een loodzware onbewegelijkheid, tot kille dood.

 

De materie is er dankzij de leegte tussen de elementaire deeltjes. Ik ben in de verleiding om te spreken over de stilte en de leegte van de woestijn, die het klinken van Gods woord bleek (1 Kon. 19:9‑18), over het beeldverbod (Ex. 20:4), over die merkwaardige zin waarmee Franz Rosenzweig zijn eerste boek van de Stern der Erlösung begint: 'Von Gott wissen wir nichts. Aber dies Nichtwissen ist Nichtwissen von Gott'.


 


[1] Onze waarneming vertekent de realiteit (giet ze in een voor haar waarneembare mal) , evenzo vervormt ook onze ratio datgene wat we waargenomen hebben (vernomen: Vernunft). Het basale inzicht van Schopenhauer kan niet genoeg doordacht worden, nl. dat de wereld op twee manieren aan ons verschijnen (nl. zo zoals we hem ons voorstellen en overdenken en analyseren -  een dood ding buiten ons dus (die Welt als Vorstellung); en direct onbemiddeld en on-overdenkelijk omdat wij er niet buiten staan, maar er deel van uitmaken - als een geweldige drive, een machtige gebeuren, in het Duits: als Wille). Kant had het eigenlijk allemaal al gezien: we kunnen levende systemen (bijv. de mens) niet op een objectieve wijze kennen. We kunnen enkel proberen die te begrijpen door te doen alsof ze georganiseerd zijn in functie van een doel. Onze mentale onderzoeksopstelling bepaalt hier echter ook onze bevindingen, dus laten we ook die bevindingen nooit voor meer houden dan ze zijn: verbuigingen van alsof.

[2] Deze passage is een tribuut aan Antonie Verheule, pleitbezorger van deze dubbele dialectiek, aan wie ook de laatste paragraaf grotendeels is ontleend. Hij had hierover essentiële dingen vernomen bij J.F. Lyotard, en deelde die op studiedagen en seminars royaal met velen.