De Griekse tekst van het NT in de Antwerpse Polyglot
Een vergelijking van de Parijse teksteditie van Robert Estienne en de Antwerpse (deel V, en het interlineaire deel), mitsgaders een poging om te bepalen hoe Canter's variantenlijst in deel VIII moet worden gelezen.
Met gebruikmaking van het vergelijkend onderzoek van Ed. Reuss uit 1872.
Conclusie In het kort.
- De Griekse tekst van het Nieuwe Testament in deel V van de Antwerpse Polyglot is géén herdruk van de tekst van de Complutensis. De basis is dat inderdaad, maar op 39 van de 291 plaatsen waar de tekst van de Complutensis en de tekst van Estienne betekenisvol van elkaar verschillen (lijst van Reuss), kiest deel V niet de Complutensis, maar volgt de tekst die Estienne (ook) heeft (met enkele uitzonderingen, see below).
- Het interlineaire deel wijkt op 18 plaatsen (uit de steekproef van Reuss) af van deel V. Beide teksten waren in de zomer van 1571 vrijwel tegelijk klaar; wie welke tekst wanneer bewerkte, en in welke volgorde ze gereed kwamen, is niet echt met zekerheid te zeggen.
- Willem Canter’s variantenlijst in deel VIII is niet op de tekst van de Polyglot afgestemd, maar op die van Estienne's editie van het Griekse Nieuwe Testament uit 1550. Door Canter werd die editie als de 'standaardtekst' , de vulgata editio aangeduid. De lijst is te lezen als een selectief kritisch apparaat. Ze biedt een een keuze uit Estienne’s marge (varianten), met daartussen ook Complutensische lezingen (die in de Polyglot al stonden, maar) die voor de gebruiker van Estienne's editie als emendatie kunnen dienen.
De vraag
De Antwerpse Polyglot werd in de markt gezet door de uitgever, redacteur en drukker (Montano, Plantijn) als een aangevulde (verbeterde) editie van de Polyglot van Alcala (De Complutensis). De Griekse tekst van het Nieuwe Testament zou dan ook uit die Polyglot zijn overgenomen. Latere onderzoekers stelden vast dat dat in elk geval niet helemaal juist was, maar waren van mening dat men hooguit 'af en toe' eens een tekst/woord/vers naar Erasmus en Estienne had veranderd, c.q. verbeterd. De Straatsburgse filoloog Eduard Reuss gaat in zijn Bibliotheca Novi Testamenti Graeci (1872) uitdrukkelijk tegen deze visie(s) in:
Vulgaris opinio est, eaque ab ipsis Bibliorum regiorum editoribus propagata, textum N. T. graeci ad Complutensem conformatum esse. Ad summum aliquoties ducibus Erasmo et Stephano eum correxisse creduntur. […] Sed res plane aliter sese habet et textus Plantinianus, quum hoc nomine appellare liceat, quum quisnam Vir doctus ei emendando maxime operam impenderit ignoremus, dignus omnino est quem seorsim consideremus. (p. 74)
“De gangbare opvatting, door de editeurs van de Biblia Regia zelf verspreid, is dat de Griekse tekst van het NT naar de Complutensis is ingericht. Men gelooft dat zij hem hooguit enkele keren naar Erasmus en Stephanus hebben verbeterd. […] Maar het ligt heel anders, en de ‘Plantijnse’ tekst (zo noemen we hem maar, omdat we niet weten welke geleerde het meeste werk aan de emendatie ervan heeft besteed) verdient een afzonderlijke behandeling.”
Deze pagina toetst die bewering aan de facsimile’s en vraagt wat Canter’s variantenlijst die in een apart deel is gepubliceerd daar bij past.
Reuss als bron.
De uitgave van Ed. Reuss wordt hier gebruikt omwille van zijn enorm uitgebreide collatie (een filologisch monnikenwerk): Opo 1000 toetsplaatsen heeft hij de verwoording in alle edities geïnventariseerd en in tabel gezet. Zijn eigen oordelen, en die van de critici die hij aanhaalt (Griesbach tot Tischendorf), horen bij de tekstkritiek van de negentiende eeuw, een andere generatie dan de huidige en anders dan Canter en Montano. Ze zijn geen maatstaf voor deze analyse. Voor de moderne opvattingen over tekstkritiek (en een evaluatie, zie mijn opstel: een 'menigte van getuigen')
De teksten waarover het gaat
- De Complutensis (Alcalá, gedrukt 1514, verschenen 1522): de eerste gedrukte Griekse tekst van het NT, gemaakt naar late Byzantijnse handschriften.
- Erasmus (Bazel 1516 en latere drukken): de eerste gepubliceerde Griekse tekst, op enkele plaatsen aangevuld met Grieks dat Erasmus zelf uit het Latijn terugvertaalde.
- Estienne 1550 (Robert Estienne, Parijs): in wezen Erasmus’ tekst (die in diverse herdrukken wel is herzien, maar nooit grondig). In de marge staan varianten uit de Complutensis (siglum α) en uit 15 handschriften (β is Codex Bezae, de andere Griekse letters zijn andere handschriften). Dit is sindsdien de meest gangbare basistekst, de vulgata editio van het Grieks.
- Deel V van de Polyglot: het NT in kolommen naast elkaar (over 2 bladzijden verdeeld): vlnr: Syrisch, Latijnse vertaling van het Syrisch, de Vulgata, de Griekse tekst.
- Het interlineaire deel (het nummer kan verschillen in de gedrukte edities): het Grieks met Arias Montano’s woordelijke Latijnse vertaling tussen de regels en de Vulgaat in de marge.
- Canter’s variantenlijst: de Variarum Novi Testamenti lectionum libellus van Willem Canter in deel VIII, een lijst van Griekse lezingen, per hoofdstuk en vers.
De data liggen dicht bij elkaar:
| Stuk | Datum |
|---|---|
| Plan voor een afzonderlijk deel met Hebreeuwse Bijbel en Grieks NT, elk met interlineair Latijn; Plantin wil het ook in kleiner formaat apart uitgeven (studenten-editie) | eind 1569 |
| Leuvense censoren stemmen in met het plan, het Grieks inbegrepen | 22 februari 1570 |
| Leuvense approbatie (Hunnaeus, Goudanus, Harlemius): notaris / theologen | 26 maart / 24 april 1571 |
| Voorwoord deel V | juli 1571 |
| Voorwoord interlineaire deel (Montano) | 1 augustus (Cal. Augusti, zonder jaartal); titelpagina 1572 |
| Voorwoord van Montano bij de Hebreeuwse Bijbel in hetzelfde deel | 1 september 1571 |
| Imprimatur onder Canter’s lijst | december 1571 |
Beide Griekse teksten waren dus vrijwel tegelijk klaar/beschikbaar. Dat het interlineaire deel een latere revisie van deel V zou zijn (zoals men gewoonlijk zegt), volgt uit de data niet. Canter’s lijst werd als laatste goedgekeurd, toen de tekst van deel V en het interlineaire deel al vastlag.
Het interlineaire deel was dus sinds 1569/70 een zelfstandig project naast deel V, bedoeld om ook los verkocht te worden. De Leuvense censoren schreven op 22 februari 1570: sic et textus Graecus Novi Testamenti in eodem volumine habeat in margine difficiliora themata et supra impositam ad verbum Latinam translationem. Twee parallel, maar toch ook afzonderlijk voorbereide Griekse teksten zijn daarmee een waarschijnlijker verklaring voor de verschillen dan een revisie achteraf; bewezen is het niet. Dat de twee Griekse teksten verschillen, merkte Voet al in 1973 op; Dunkelgrün vermeldt het in een voetnoot (p. 349-350, n. 151).
Hoe vaak wijkt deel V af?
Reuss vergelijkt de edities op 1000 vaste toetsplaatsen (enkel relevante verschillen). Op 709 daarvan hebben de Complutensis en Estienne 1550 dezelfde tekst. Op de overige 291 moet deel V kiezen, en daar kiest het:
| Lezing in deel V | Plaatsen |
|---|---|
| Complutensis | 249 |
| Estienne, tegen de Complutensis | 39 |
| Erasmus (Lc 10:22, 1 Petr 2:3) | 2 |
| Een eigen lezing (Hand 5:24 ἀρχιερεύς) | 1 |
Deel V kiest dus op 39/249 (ca. één op zeven) beslisbare plaatsen tegen de Complutensis. Met Hand 2:31 komt er een plaats bij die Reuss niet mee heeft genomen in zijn selectie (zie de toelichting onderaan).
Het interlineaire deel wijkt volgens Reuss op 18 plaatsen van deel V af: 13 keer heeft het Estienne waar deel V de Complutensis heeft, 3 keer omgekeerd, 1 keer een eigen lezing (Apocalyps 1:6 βασιλείαν καὶ ἱερεῖς) en 1 keer de gangbare lezing in plaats van Erasmus (1 Petr 2:3).
Reuss’ klassen en groepen
In zijn hoofdstuk over de Complutensis (pp. 16–24) zet Reuss de 347 toetsplaatsen op een rij waar de Complutensis en Erasmus’ eerste druk verschillen. Hij verdeelt ze in negen klassen, naargelang van wat de latere edities met de Complutense lezing doen. Binnen elke klasse vormt hij groepen (hoofdletter) en ondergroepen (kleine letter): Aa, Ab, Ba enzovoort. Met die groepen geeft hij op pp. 75–76 aan waar de Antwerpse delen een bepaalde kant kiezen.
| Klasse | Nrs. | Inhoud |
|---|---|---|
| I | 1–39 | Lezingen die alleen de Complutensis heeft; Erasmus, Estienne en de Plantijnse edities hebben ze niet. |
| II | 40–43 | Estienne’s eerdere recensie volgt de Complutensis, de Plantijnse edities niet. |
| III | 44 | Beide recensies van Estienne volgen de Complutensis, de Plantijnse edities niet. |
| IV | 45–71 | Estienne’s eerdere recensie en de Plantijnse edities volgen de Complutensis. |
| V | 72–256 | De Plantijnse edities volgen de Complutensis, Estienne niet. |
| VI | 257–261 | De Plantijnse edities en beide recensies van Estienne volgen de Complutensis. |
| VII | 262–263 | Estienne’s eerdere recensie wijkt af van de Complutensis en de Plantijnse edities, zijn latere niet. |
| VIII | 264–305 | Alle oude edities volgen de Complutensis; alleen Erasmus wijkt af. |
| IX | 306–347 | Erasmus veranderde zijn lezing later; Reuss vergelijkt hier alleen zijn eerste druk. |
Met “de Plantijnse edities” bedoelt Reuss in deze koppen de tekst van het interlineaire deel en de latere Plantijnse drukken, niet deel V. In groep B van klasse I (nrs. 26–36) heeft deel V nog de Complutense lezing; in Ga en Ja–b heeft deel V Estienne en het interlineaire deel de Complutensis.
Wat deel V doet: de voorbeelden
Op de facsimile’s zijn de volgende plaatsen nagekeken. Telkens staat erbij wat de Complutensis heeft, wat Estienne en de Vulgaat hebben, en wat deel V doet. De nummers zijn die van Reuss.
Grieks dat de Complutensis niet heeft, gemarkeerd met een teken
Hand 8:37 (nr. 6). Het vers over de geloofsbelijdenis van de kamerling ontbreekt in de Complutensis. Erasmus nam het op; het staat ook in de Vulgaat. Deel V drukt het, en zet er een kort liggend streepje bij: vóór εἶπε en vooraan op elke volgende regel van het vers. De Latijnse vertaling van het Syrisch meldt Deest versus 37.
Hand 9:5–6 (nr. 22) is hetzelfde geval: een zin die Erasmus uit het Latijn terugvertaalde, in deel V opgenomen met een obelus (zie Hand 9:5–6). Mt 6:13 (nr. 16), de doxologie van het Onze Vader, staat niet in de Complutensis en ook niet in de Vulgaat; deel V drukt haar met een asterisk (zie Mt 6:13).
Wat de tekens precies betekenen, zegt deel V nergens. Het gebruik van obelus en asterisk lijkt aan te sluiten bij dat van Origenes’ Hexapla.
Weglatingen, zonder teken
Lc 8:15 (nr. 4). De Complutensis sluit de uitleg van de gelijkenis van de zaaier af met de uitroep uit vers 8: ταῦτα λέγων ἐφώνει· ὁ ἔχων ὦτα ἀκούειν ἀκουέτω. Zo’n formule sloot in de Byzantijnse liturgie een lezing af; in de late handschriften waarop de Complutensis berust, is ze in de tekst terechtgekomen. Estienne en de Vulgaat hebben haar niet, en deel V laat haar weg, zonder teken.
1 Petr 3:12 (nr. 10) is een vergelijkbaar geval. Petrus citeert Ps 34 (LXX 33) en breekt af bij “het gelaat van de Heer is tegen wie kwaad doen”. De Complutensis vult het citaat aan naar de Septuagint: τοῦ ἐξολοθρεῦσαι αὐτοὺς ἐκ γῆς. Estienne en de Vulgaat hebben dat niet, deel V ook niet.
Lc 10:22 (nr. 44). Hier gaat deel V tegen beide Griekse bronnen in. De Complutensis en Estienne beginnen het vers met καὶ στραφεὶς πρὸς τοὺς μαθητὰς εἶπε, “en zich omkerend naar de leerlingen zei hij”. Alleen Erasmus’ eerste druk laat die woorden weg, en de Vulgaat ook. Deel V begint meteen met πάντα μοι παρεδόθη, zoals de Vulgaat met Omnia mihi tradita sunt. Niets is gemarkeerd.
Latijn zonder Grieks: een lege plek
Hand 23:25. De Vulgaat heeft hier een zin die in geen enkele Griekse druk staat: (Timuit enim ne forte raperent eum Iudaei …). De Griekse kolom van deel V volgt de versnummering van de Vulgaat, laat na vers 24 ruimte open en gaat verder met vers 26. Waar geen gedrukt Grieks bestaat, vertaalt de redacteur dus niet zelf terug.
Een eigen lezing: Hand 5:24
Hand 5:24 is de enige plaats in Reuss’ steekproef waar deel V een lezing heeft die in geen van beide gedrukte bronnen staat. De Complutensis en Estienne hebben ὅ τε ἱερεὺς καὶ ὁ στρατηγὸς τοῦ ἱεροῦ καὶ οἱ ἀρχιερεῖς; deel V heeft ὅ,τε ἀρχιερεὺς (met de ligatuur voor ἀρχ-), en het interlineaire deel heeft deze unieke lezing ook. Montano’s Latijn erboven vertaalt het keurig netjes als Pontifex; de Vulgaatlezing magistratus staat in de marge.
De andere kolommen verklaren de lezing niet. De Vulgaat heeft magistratus templi et principes sacerdotum, de Latijnse vertaling van het Syrisch principes Sacerdotum & praefecti templo: geen van beide kent een hogepriester in het enkelvoud. Canter’s lijst noteert bij Hand 5:24 niets. Of het een emendatie is (naar het meervoud οἱ ἀρχιερεῖς verderop in het vers?) of een lezing uit een bron die we niet kennen, of gewoon een schrijffout, valt uit dit materiaal niet uit te maken.
De werkwijze van deel V
- De Griekse tekst blijft binnen wat in gedrukte Griekse bronnen voorhanden was: de Complutensis en Erasmus/Estienne. De enige uitzondering in Reuss’ steekproef is Hand 5:24.
- De basis is de Complutensis. Waar die en Estienne verschillen, kiest deel V ongeveer één op zeven keer anders: meestal Estienne, soms (Lc 10:22) een lezing die met de Vulgaat samenvalt. Maar de Vulgaat bepaalt niet alles: de doxologie die in Mt 6:13 in de Vulgaat ontbrak, staat er wel in, netzoals in de Complutensis (en in de toenmalige Griekse mss.).
- Grieks dat de Complutensis niet heeft, krijgt een teken: een obelus (?) bij de passages die via Erasmus uit het Latijn kwamen, een asterisk bij de doxologie.
- Weglatingen ten opzichte van de Complutensis worden niet gemarkeerd, en ook in de variantenlijst niet gesignaleerd.
- Latijn waarvoor geen Grieks bestaat, krijgt in de Griekse kolom een lege plek.
Alle 34 plaatsen in Reuss’ lijst waar deel V de Complutensis verlaat
In de kolom “Erasmus 1516” staat de lezing die deel V overneemt; behalve bij nr. 44 is dat ook de lezing van Estienne 1550. In de lezingen zijn de hoofdletters Reuss’ sigla voor de critici van zijn tijd (G Griesbach, M Matthaei, K Knapp, S Scholz, L Lachmann, T Tischendorf) en geven de sterretjes hun oordeel. De laatste kolom geeft aan waar het interlineaire deel de Complutensis heeft.
| Nr. | Groep | Locus | Complutensis | Erasmus 1516 | Deel V | Interlineair |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Aa | Matth. 3, 11 | om. καὶ πυρί M | add. * | Estienne | |
| 38 | Cb | Matth. 5, 27 | om. τοῖς ἀρχαίοις ** | add. (K) | Estienne | |
| 45 | Ga | Matth. 5, 28 | ἐπιθ. αὐτὴν MK²SLT²·· | ἐπιθ. αὐτῆς GK¹ | Estienne | Complutensis |
| 72 | Ja | Matth. 5, 47 | φίλους M | ἀδελφοὺς * | Estienne | Complutensis |
| 16 | Ad | Matth. 6, 13 | doxol. om. * | add. M (K) | Estienne | |
| 2 | Aa | Matth. 6, 15 | ad[d.] ὁ οὐράνιος | om. ** | Estienne | |
| 39 | Cb | Matth. 6, 18 | om. ἐν τῷ φαν. ** | add. (K) | Estienne | |
| 73 | Jb | Matth. 7, 12 | οὕτως M | οὗτος * | Estienne | Complutensis |
| 12 | Ab | Matth. 9, 35 | om. ἐν τῷ λαῷ * | add. M (K) | Estienne | |
| 24 | Ag | Matth. 10, 8 | om. νεκροὺς ἐγείρετε G¹MST | add. G²K²L (K¹) | Estienne | |
| 3 | Aa | Matth. 11, 8 | βασιλείων MS | βασιλέων * | Estienne | |
| 17 | Ad | Matth. 12, 6 | μεῖζον * | μείζων GK | Estienne | |
| 40 | Da | Matth. 21, 1 | βηθσφαγῆ T²·· | βηθφαγῆ * | Estienne | |
| 14 | Ac | Matth. 26, 74 | καταθεματίζειν ** | καταναθεματίζειν | Estienne | |
| 18 | Ad | Matth. 27, 35 | om. ἵνα πληρωθῇ cett. * | add. (KT°) | Estienne | |
| 23 | Af | Marc. 4, 18 | οὗτοί εἰσιν semel G°MK | bis S | Estienne | |
| 20 | Ae | Marc. 12, 32 | εἷς ἐστί ** | εἷς ἐστὶ Θεός G¹ | Estienne | |
| 41 | Db | Luc. 3, 2 | ἀρχιερέως ** | ἀρχιερέων | Estienne | |
| 42 | Dc | Luc. 7, 31 | om. εἶπε δὲ ὁ κύριος ** | add. | Estienne | |
| 4 | Aa | Luc. 8, 15 | add. ταῦτα λέγων ἐφώνει· ὁ ἔχων ὦτα ἀκούειν ἀκουέτω | om. ** | Estienne | |
| 5 | Aa | Luc. 9, 23 | om. καθ' ἡμέραν G¹MSL | add. G²KT | Estienne | |
| 44 | F | Luc. 10, 22 | add. init. καὶ στραφεὶς πρὸς τ. μαθ. εἶπεν MSLT²·· (K¹) | om. GK²T¹ | Erasmus | |
| 21 | Ae | Luc. 22, 12 | ἀνώγαιον | ἀνώγεον M | Estienne | |
| 19 | Ad | Io. 17, 11 | ᾧ δέδωκας ** | οὓς δέδωκας | Estienne | |
| 6 | Aa | Act. 8, 37 | om. tot. ** (K) | add. | Estienne | |
| 22 | Ae | Act. 9, 5. 6 | om. σκληρόν σοι πρ. κέντρα λακτίζειν. τρέμων τε καὶ θαμβῶν εἶπε ** | add. | Estienne | |
| 15 | Ac | Act. 10, 6 | om. οὗτος λαλήσει σοὶ τί σε δεῖ ποιεῖν ** | add. (K¹) | Estienne | |
| 37 | Ca | Act. 20, 4 | add. πυῤῥοῦ * | om. MK¹ | Estienne | |
| 7 | Aa | Act. 20, 38 | om. προέπεμπον δὲ αὐτὸν εἰς τὸ πλοῖον | add. ** | Estienne | |
| 13 | Ab | Rom. 2, 17 | εἰ δέ * | ἰδὲ M | Estienne | |
| 8 | Aa | Rom. 3, 26 | fin. ἰησοῦν | ἰησοῦ ** (T²·· om.) | Estienne | |
| 9 | Aa | 2. Cor. 7, 10 | om. ἡ δὲ τοῦ κόσμου λύπη θάνατον κατεργ. | add. ** | Estienne | |
| 10 | Aa | 1. Petr. 3, 12 | add. τοῦ ἐξολοθρεῦσαι αὐτοὺς ἐκ γῆς | om. ** | Estienne | |
| 11 | Aa | Iud. 25 | μόνῳ σοφῷ σ. | μόνῳ σ. θεῷ σ. M | Estienne |
Het interlineaire deel
Het interlineaire deel heeft op 18 plaatsen een andere Griekse tekst dan deel V, meestal die van Estienne. Daarnaast werkt het anders met het Latijn: Montano’s woordelijke vertaling staat tussen de regels, en waar de Vulgaat daarvan afwijkt, staat de Vulgaat in de marge.
Hand 25:5 (nr. 29) laat beide verschillen tegelijk zien. De Complutensis heeft εἴ τι ἐστὶν ἐν τῷ ἀνδρὶ τούτῳ ἄτοπον, “als er iets onbehoorlijks in deze man is”; Erasmus en Estienne laten ἄτοπον weg. De Vulgaat heeft si quod est in viro crimen. Deel V volgt de Complutensis en heeft ἄτοπον. Het interlineaire deel volgt Estienne, zonder ἄτοπον; de Latijnse regel heeft °hoc en de Vulgaatlezing °crimen staat in de marge.
Hetzelfde procedé met de marge staat bij Lc 2:14 (beneplacitum in de regel, bonae voluntatis in de marge) en 1 Tim 3:16 (mysterium, in de marge sacramentum). Bij Apocalyps 22:19 staat in de marge zelfs een Griekse lezing, βίβλου, het Grieks achter de Vulgaat libro.
Montano’s voorwoord bij het interlineaire deel gaat alleen over de Latijnse vertaling en zegt niets over de Griekse tekst. Als openbare tekst, goedgekeurd door de Leuvense censoren, bewijst dat zwijgen niets; ook zijn verzekering dat hij de Vulgaat niet wilde corrigeren (non fuit propositum vulgatam … corrigere aut emendare) is een formule die men in zo’n tekst verwacht.
De 12 plaatsen in Reuss’ lijst waar alleen het interlineaire deel de Complutensis verlaat
| Nr. | Groep | Locus | Complutensis (= deel V) | Erasmus 1516 | Interlineair |
|---|---|---|---|---|---|
| 43 | E | Matth. 18, 19 | πάλιν ἀμὴν G°MT° | om. ἀμὴν G°KST° | Estienne |
| 26 | Ba | Luc. 20, 19 | om. τὸν λαόν M | add. * | Estienne |
| 36 | Bd | Act. 9, 35 | τὴν σαρωνᾶν | τὸν ἀσσάρωνα | Estienne |
| 27 | Ba | Act. 20, 28 | ἐκκλ. τοῦ κυρίου καὶ θεοῦ M | ἐκκλ. τοῦ θεοῦ KS | Estienne |
| 28 | Ba | Act. 22, 12 | εὐλαβὴς LT³ | εὐσεβὴς GMKS | Estienne |
| 29 | Ba | Act. 25, 5 | εἴ τι ἐστὶν ἐν τ. ἀνδρὶ τούτῳ ἄτοπον | om. ἄτοπον G¹MKST²·· | Estienne |
| 33 | Bb | Rom. 13, 9 | om. οὐ ψευδομαρτυρήσεις * | add. M (K) | Estienne |
| 34 | Bc | Rom. 14, 9 | καὶ ἀπέθανε καὶ ἀνέστη καὶ ἔζησε M | καὶ ἀπ. καὶ ἀν. καὶ ἀνέζησε | Estienne |
| 30 | Ba | 2. Cor. 12, 14 | κατενάρκησα | καταναρκήσω ** | Estienne |
| 31 | Ba | Hebr. 10, 39 | fin. om. ψυχῆς | add. ** | Estienne |
| 32 | Ba | Hebr. 13, 14 | μένουσαν ἐπιζ. | μέλλουσαν ἐπιζ. ** | Estienne |
| 35 | Bc | Apoc. 1, 6 | βασιλείαν ἱερεῖς ** | βασιλεῖς καὶ ἱερεῖς | nieuw: βασιλείαν καὶ ἱερεῖς |
Canter’s variantenlijst
Canter’s lijst geeft per hoofdstuk en vers Griekse varianten, zonder bronvermelding en zonder oordeel. De vraag is: tegen welke tekst zijn die lezingen eigenlijk varianten?
Wat Canter zelf zegt
In zijn Ad lectorem verantwoordt Canter de lijst in twee stappen (zie Praefatio en Ad lectorem).
Eerst zegt hij wat hij weglaat: meestal drie soorten lezingen, namelijk lezingen die op hetzelfde neerkomen (quae idem prorsus valerent, bijvoorbeeld ἐπόιησε voor ἐποίησε), louter drukfouten (ὑποπιάζω voor ὑπωπιάζω) en louter glossen (προσέταξεν voor συνέταξεν).
Daarna zegt hij welke tekst hij gebruikte:
Ad id autem perficiendum quoniam vulgatae editionis exemplari Graeco certis de causis usi sumus, quod etiam cum Complutensi codice inter alios fuerat collatum; si hac re nonnunquam contingeret, ut varia lectio heic annotata in Complutensi contextu reperiatur: id ad eum confirmandum valere, postquam caeteris lectionibus ea fuit praelata, prudens Lector intelliget.
“Omdat wij om bepaalde redenen voor dit werk een exemplaar van de gangbare Griekse editie hebben gebruikt, dat onder meer ook met de Complutensische codex was vergeleken, zal de verstandige lezer begrijpen dat, als het daardoor soms gebeurt dat een hier genoteerde variant in de Complutensische tekst te vinden is, die variant dient om die tekst te bevestigen, aangezien die lezing boven de andere is verkozen.”
Daarmee zegt Canter drie dingen: zijn lijst is opgesteld tegen de vulgata editio, de gangbare gedrukte Griekse tekst; zijn exemplaar was al gecollationeerd, onder meer met de Complutensis, die hij een codex noemt; en wie een van zijn lezingen in de tekst van de Polyglot terugvindt, moet dat lezen als steun voor die tekst. Hij spreekt daarbij van de “Complutensische tekst”, alsof de Polyglot die zonder meer drukt. De voorbeelden hieronder toetsen deze uitspraken.
Opgesteld tegen Estienne, niet tegen deel V
Het beslissende voorbeeld is opnieuw Hand 25:5. Canter noteert “5. ἐστὶν ἄτοπον”. Dat is precies wat deel V in de tekst heeft. Als variant op deel V zou de notitie zinloos zijn; als variant op Estienne, die ἄτοπον mist, is ze dat niet. Zo ook bij Hand 20:4 (πύῤῥου), Rom 2:17 (εἰ δέ) en Rom 3:26 (ἰησοῦν): Complutense lezingen, opgegeven als variant op Estienne.
Omgekeerd komt geen enkele afwijking van deel V ten opzichte van de Complutensis in de lijst terug: niet Hand 8:37, niet Lc 8:15, niet Lc 10:22. Dat een opgegeven lezing met de tekst van de Polyglot samenvalt, had Canter zelf voorzien (zie hierboven). Bij Apocalyps 22 geldt dat voor zeven van zijn acht lezingen.
Een keuze uit Estienne’s marge
Naast Canter’s lijst zijn negen pagina’s van Estienne 1550 gelegd. Een voorbeeld laat zien hoe dat werkt. Bij Hand 13:41 staat in Estienne’s tekst καὶ θαυμάσατε καὶ ἀφανίσθητε; in de marge staat καὶ ἐπιβλέψατε, met de sigla α ϛ ι ια: de Complutensis en drie handschriften voegen “en ziet toe” in. Canter noteert “41. καὶ θαυμάσατε καὶ ἐπιβλέψατε καὶ”. Hij neemt de margelezing over en geeft haar in haar plaats in de zin.
Alle lezingen van Canter op deze pagina’s staan in Estienne’s marge. Hij neemt niet alles over:
| Estienne 1550 | Noten in de marge | Bij Canter |
|---|---|---|
| p. 234–236: Hand 12:25–13:41 | 12:25 (α ι); 13:1, 6 (tweemaal), 15 (tweemaal), 17, 19, 23, 26, 31, 41 (tweemaal) | 12:25; 13:6, 23, 26, 41 |
| p. 240: Hand 15 | 15:18 (α), 20 (β ι), 29 (α …), 29 | 15:20 |
| p. 250: Hand 20:1–8 | 20:1; 4 (tweemaal, waaronder Πύῤῥου α δ ε ι ια); 5 (α δ ε η); 7; 8 | 20:4, 7, 8 |
| p. 251: Hand 20:18–28 | 20:18 (tweemaal), 23 (tweemaal), 24, 26, 28 (α δ ε ια ιγ) | alle behalve 20:28 |
| p. 257: Hand 23 | 23:6, 9, 15, 16 | 23:9 |
| deel 2, p. 9: Rom 2 | 2:1 (α), 5 (π), 17 (α δ ια) | 2:5, 17 |
| deel 2, p. 11: Rom 3:26 | 3:26 (α δ) | 3:26 |
Wat hij weglaat, valt meestal onder de criteria die hij zelf noemt: lezingen die hetzelfde betekenen (Hand 13:17, 13:41 ὃ voor ᾧ, 20:5 een verschil van één letter) of herhaling (15:29 is dezelfde zin als 15:20). Wat Estienne niet noteert, kon hij niet opnemen: bij Hand 13:17 mist de Complutensis ἐν τῇ παροικίᾳ, maar Estienne’s marge zegt daar niets van.









Robert Estienne, Novum Testamentum (Parijs 1550). Klik op een pagina voor de volle grootte.
Conclusie: Canter’s lijst als selectief kritisch apparaat
De variantenlijst in deel VIII is een selectief kritisch apparaat bij de gangbare Griekse tekst, de vulgata editio, die volgens Canter's eigen beschrijving de editie uit 1550 van Robert Estienne is. Ze is wel gepubliceerd in de Antwerpse polyglot, maar verwijst niet naar de tekst van de Polyglot. Wie Estienne's editie raadpleegt, vindt in deze lijst een keuze uit Estienne’s marge: lezingen uit handschriften en uit de Complutensis, die Canter als codex behandelt. De weging die zijn noten bij de tragici per lezing geven, ontbreekt hier niet maar is verplaatst: naar de selectie zelf, en naar de gedrukte tekst van de Polyglot, die de keuze zichtbaar maakt. De Griekse tekst van het NT in de Polyglot en de lijst van Canter lijken in gescheiden werkgangen te zijn ontstaan.
- De vorm. Het zijn notae bij een vulgata editio, zoals Canter’s LXX-libellus in hetzelfde deel bij de Bazelse editie en zoals zijn noten bij de tragici. De notities dragen versnummers, wat wijst op een Estienne-druk van 1551 of later met het apparaat van 1550.
- De basis is Estienne. Canter zegt zelf dat hij een exemplaar van de vulgata editio gebruikte dat al met de Complutensis en andere getuigen was vergeleken. Zijn lezingen staan in Estienne’s marge, en bij Hand 25:5 geeft hij als variant wat deel V in de tekst heeft.
- De Complutensis is een getuige onder andere. Lezingen met α staan zonder onderscheid tussen de handschriftlezingen.
- De selectie is de weging. Canter neemt een deel van Estienne’s noten over en laat andere weg, meestal volgens zijn eigen criteria.
- De keuzes zijn in de tekst gemaakt, niet in de lijst. De eigen keuzes van deel V (Lc 10:22, Hand 5:24, de tekens, de lege plek bij Hand 23:25) komen in de lijst niet terug. Het interlineaire deel volgt de lijst evenmin: bij Hand 25:5 mist het ἄτοπον, dat Canter juist opgeeft.
- Het Ad lectorem veronderstelt die scheiding. De regel dat een opgegeven lezing die met de tekst samenvalt, die tekst bevestigt, is alleen nodig als de lijst niet op de gedrukte tekst is afgestemd.
Nog een hypothese
Zou het kunnen dat Canter bij de Complutensische lezingen twee regels volgde? De steekproef doet het vermoeden, maar bewijst het niet.
De Complutensis wordt gevolgd, dan en slechts dan als ze ook de steun heeft van een handschrift? Buiten de Apocalyps heeft elke Complutense lezing die Canter in de steekproef opneemt in Estienne’s marge ook steun van een Grieks handschrift: Hand 12:25 (α ι), 13:41 (α ϛ ι ια), 20:4 (α δ ε ι ια), Rom 2:17 (α δ ια), 3:26 (α δ). Lezingen die alleen op α steunen, laat hij weg (Hand 15:18, Rom 2:1). Dat zou een bewuste regel kunnen zijn... Of ze klopt is lastig te bepalen. Want de genoemde voorbeelden zouden ook kunnen zijn weggelaten op grond van zijn eigen criterium: niet opnemen want het verschil heeft nauwelijks betekenis. Twee uitzonderingen:De lijst heeft een dubbele functie. Ze is tegelijk een selectief variantenoverzicht (gebaseerd op Estienne's marge) en een reeks emendaties van de vulgata editio waar de Complutensis die draagt. Canter markeert dat onderscheid niet.
Hoe dit te toetsen is
- Uitgevoerd. Bij Hand 20:4, Rom 2:17 en Rom 3:26 staat in Estienne’s marge naast α ook een handschrift, zoals voorspeld.
- Beslissend voor de eerste regel als bewuste keuze is een lezing die buiten de Apocalyps alleen op α steunt en een duidelijk betekenisverschil heeft. Laat Canter die weg, dan steunt dat de regel; neemt hij haar op, dan valt de regel.
- Bij andere beladen plaatsen, zoals 1 Tim 3:16, Mt 6:13 en Hand 8:37, zou Canter moeten zwijgen, ook als Estienne’s marge daar varianten heeft.
- Of het ontbreken van een weging per lezing Canter’s eigen keuze was of het formaat van het Apparatus, kan alleen een vergelijking met het LXX-deel van zijn libellus uitwijzen.
Wie emendeerde deel V?
Geen van de bronnen zegt het. Reuss noemt de bewerker onbekend. Deel V en het interlineaire deel kwamen vrijwel gelijktijdig tot stand, en wie welke Griekse tekst voorbereidde, is niet bekend.
- Arias Montano. Mill schrijft hem volgens Reuss het wegwerken van “nonnulla Complutensis textus menda” toe. Hij had de Vulgaat-kolom naast zich, en de tekens in deel V meten het Grieks aan het Latijn. Hij was ook de editeur van het interlineaire deel.
- Willem Canter. Zijn lijst is opgesteld tegen Estienne, en zijn Ad lectorem gaat ervan uit dat de tekst van de Polyglot Complutensisch is. Had hij zelf in één op zeven gevallen van de Complutensis afgeweken, dan had hij dat waarschijnlijk niet zo geformuleerd.
- Een ongenoemde corrector in Plantijn’s drukkerij.
De tekst van deel V is geredigeerd door iemand die het Grieks met de Vulgaat naast zich nakeek, een obelus en een asterisk gebruikte en niet zelf terugvertaalde. Montano ligt het meest voor de hand. Dat blijft een afleiding, geen bewijs.
Toelichtingen en voorbehouden
Hand 2:31: een plaats die Reuss niet meetelt
Reuss vergelijkt hier alleen de Complutensis (ἐγκατελείφθη) met Erasmus 1516 (ἐγκατελήφθη). Estienne 1550 heeft een derde vorm, οὐ κατελείφθη, zonder noot, en die drukt deel V, zonder teken. Deel V volgt hier dus Estienne tegen de Complutensis in; Reuss’ 39 lezingen van Estienne worden er minstens 40. Inhoudelijk weegt het verschil weinig.
Voorbehouden
- Steekproef. Reuss koos zijn 1000 plaatsen om hun inhoudelijk gewicht, niet om de verschillen tussen edities (praefatio § 5, pp. 12–14). De verhoudingen gelden voor die plaatsen, niet voor de hele tekst.
- Afleiding. De lezing van deel V en het interlineaire deel per plaats is afgeleid uit Reuss’ groepsletters op pp. 75–76, niet per plaats door hem vermeld.
- Groepen U en W. Een deel van Reuss’ afwijkingen (Uk, Ur, W 10, 15, 19, 21, 20, 24) valt buiten de getranscribeerde tabel en is niet nagekeken.
- Nog na te kijken. Hand 20:28 in deel V en in het interlineaire deel; Estienne’s marge bij Lc 8:15.
Bronnen
- Antwerpse Polyglot (Biblia Regia): deel V (voorwoord juli 1571); het interlineaire Nieuwe Testament (titelpagina 1572, voorwoord van Arias Montano Cal. Augusti); Willem Canter, Variarum Novi Testamenti lectionum libellus, in deel VIII (imprimatur december 1571).
- E. Reuss, Bibliotheca Novi Testamenti Graeci (Brunswijk 1872), pp. 12–14 (praefatio § 5), 16–24 (de toetsplaatsen waar Complutensis en Erasmus verschillen) en 74–76 (de Antwerpse edities).
- R. Estienne, Novum Testamentum (Parijs 1550), deel 1, pp. 213, 234–236, 240, 250, 251 en 257; deel 2, pp. 9 en 11.
- Th. Dunkelgrün, The Multiplicity of Scripture (Toronto 2025), pp. 340–349 en nn. 130–151; daarin L. Voet, The Plantin Press, nrs. 644–645, en Voet, “De Antwerpse Polyglot-Bijbel”, Noordgouw 13 (1973).



